Bevlogen Bespiegelingen

Over maatschappij, politiek, geschiedenis, verantwoording, compliance en transparantie

Het is een tijd stil geweest. Niet omdat er niets gebeurde (het aantal rampen dat op ons af dreigt te komen, wordt wel heel dik aangezet…), maar omdat ik met allerlei andere zaken druk was en er eigenlijk geen tijd was om eens goed voor deze blog te gaan zitten. En alhoewel er voldoende aanrakingspunten waren om weer eens in te gaan op onze ‘doe eens normaal, man’ bestuurlijke elite, vond ik dat toch niet voldoende reden om de pen uit de kast te halen. Mijn recente aanstelling als Lector Digital Archiving & Compliance aan de Hogeschool van Amsterdam leidt mij er toe om dat wel te doen en op de relevantie daarvan hier wat dieper in te gaan.

Zoals vele van de lezers van deze blog weten, ben ik al jaren geïnteresseerd in de voortgaande digitalisering van de maatschappij en de effecten die dat heeft op organisaties en de mensen die deze organisaties vormen. Voor zover ik weet was ik midden jaren ’90 een van de eersten die er op wezen dat deze digitalisering grote gevolgen zou hebben op de bewijsplicht en op de rechtmatigheid van handelen van zowel individuen als organisaties. Het ‘compliance’-denken, dat toen al enige jaren in de bancaire en financiële sector ingang had gevonden, werd pas werkelijk omhelsd na de Enron-affaire en de Sarbanes-Oxley Act. Toen ook kwam het echt op de management-agenda te staan buiten de bancaire en financiële sector. Maar compliance werd vooral uitgelegd als het voldoen aan relevante wetten en regels en de daarop afgestemde inrichting van processystemen. Te weinig aandacht werd besteed aan het feit dat het niet alleen gaat om het voldoen aan wetten en regels, maar dat dat ook aantoonbaar moet zijn zolang dat direct of indirect door wet- en regelgeving wordt vereist. Dat feit was voor mij aanleiding om het organisatorische belang van (digitale) archivering voortdurend te benadrukken. Zonder archivering namelijk is het bijna ondoenlijk aan te tonen dat voldaan is aan wetten en regels en is het ook niet mogelijk om het verleden te reconstrueren om te bepalen hoe er in specifieke gevallen is gehandeld. Archivering en compliance zijn dan ook onlosmakelijk verbonden. Compliance-eisen als identiteit, integriteit, authenticiteit, autorisatie en onweerlegbaarheid worden in archivering gewaarborgd met juridische, organisatorische en technische maatregelen.

Ik heb die stelling vorig jaar nog eens herhaald in een conferentiepaper. Ik stelde in die paper dat er een aantal organisatorische mechanismen zijn die het mogelijk maken het verleden te reconstrueren om zodoende het tot stand komen van beleid, besluiten, producten, acties en transacties te kunnen onderzoeken. Die mechanismen definieerde ik als Enterprise Records Management, Organizational Memory en Records Auditing. Deze drie mechanismen realiseren de ‘records value chain’, de waardeke­ten die alle acti­vitei­ten behelst, die wor­den ver­richt aan of met archiefdocumenten en de daaraan gekoppelde metadata: cre­a­tie of ont­vangst, vastlegging, opslag, be­wer­king, dis­tributie, orde­ning, publicatie, ge­bruik, waar­de­ring, selectie, ver­nie­tiging of bewa­ring, be­veili­ging, toetsing en be­houd. De keten zorgt ervoor dat de kwaliteitskenmerken van archiefdocumenten ingevuld kunnen worden, waardoor het een reconstructie van het verleden mogelijk maakt en waardoor archiefdocumenten vertrouwd kunnen worden als betrouwbare bronnen van informatie.

Het zijn deze drie mechanismen die de kern vormen van ‘Digital Archiving’. Enterprise records management garandeert de uitvoering van de ‘records value chain’ en zorgt ervoor dat archiefdocumenten en de daaraan gekoppelde metadata de kwaliteitseisen van integriteit, authenticiteit, controleerbaarheid en historiciteit vertonen zodat ze betrouwbaar kunnen worden gebruikt in bedrijfsprocessen van organisaties als bronnen van ‘trusted information’. Organizational memory zorgt ervoor dat archiefdocumenten en metadata worden behouden. Het zorgt voor een ICT infrastructuur die het mogelijk maakt archiefdocumenten oneindig te bewaren en toegankelijk te houden. Records Auditing toetst de beide andere mechanismen periodiek om te bepalen of het mogeljk is organisatorische handelingen uit het verleden te reconstrueren. Deze drie mechanismen maken het realiseren van de ‘records value chain’ mogelijk en zorgen ervoor dat alle ‘digital assets’ van een organisatie betrouwbaar, integer, controleerbaar en historisch zijn.

‘Digital Archiving’ maakt ‘Compliance’ mogelijk. Samen zorgen ze ervoor dat de naleving van wet- en (interne en externe) regelgeving, normen en richtlijnen kan worden aangetoond, zodat verantwoording afgelegd kan worden aan ‘legitieme fora’ en bewijs geleverd kan worden van rechten en plichten. Het gaat om wet- en regelgeving voor de uitvoering van bedrijfsprocessen, voor het verrichten van taken, voor het verantwoorden van handelingen in organisaties, voor het afleggen van maatschappelijke verantwoording en voor het behouden van cultuurhistorisch erfgoed. Ze waarborgen de authenticiteit en integriteit van informatie en dragen bij aan het vertrouwen dat de gebruikers van informatie hebben bij het gebruik ervan. In essentie was dit de kern van ‘Op zoek naar de herinnering’, het boek waarop ik enkele jaren geleden promoveerde.

Beide thema’s zijn maatschappelijk zeer relevant en een paar maatschappelijke ontwikkelingen zijn daar debet aan.

De eerste ontwikkeling is de toename van de hoeveelheid informatie in onze maatschappij, die de opslagmogelijkheden, de toegankelijkheid en de begrijpelijkheid van de informatie bedreigt, en de druk, die deze informatiemassa legt op de archiveringsmogelijkheden van grote organisaties, het midden- en kleinbedrijf (MKB) en (voor het eerst in de geschiedenis) de individuele mens. De toename van informatie vloeit voort uit de ontwikkeling van het Internet en de groeiende elektronische communicatie. De Cisco VNI Global IP Traffic Forecast, 2010-2015 (2011) wijst op een jaarlijkse toename tot 2015 met 32 procent. Eind 2015 is er een jaarlijkse bandbreedte nodig van ongeveer 966 exabytes (bijna een zettabyte !). Die verwachting geeft aan dat (wat er ook gebeuren mag) de komende jaren de markt voor opslag en archivering een enorme expansie zal doormaken, terwijl de fabrikanten van opslagmedia die groei nu al nauwelijks kunnen bijhouden. Ondanks dalende uitgaven voor IT nemen verhoudingsgewijs de uitgaven voor opslagsoftware en archiveringsinfrastructuren toe. Gartner gaf een marktgroei aan in 2011 met 10,4 %; het laatste kwartaal van 2011 alleen al toonde een omzet van 5,1 miljard dollar. Dat is bijna de helft van de jaaromzet van 2008, die 11 miljard dollar bedroeg. Dat betekent dat in 2011 de markt bijna tweemaal zo groot is als in 2008 ! De economische crisis heeft effecten op de investeringen in IT, maar raakt de behoefte aan opslag, backup- en recoverysoftware nauwelijks, zoals blijkt uit de jaarlijkse onderzoeken van Cisco en Gartner. De groei gaat door; men tracht de uitgaven te verminderen door toepassing van virtualisatietechnieken. Volgens Gartner’s Forecast: Storage Management Software Market, Worldwide, 2008-2013 (oktober 2009) neemt de markt voor opslag en archivering tot 2013 toe, voor hardware met een gemiddelde groei van 3,2 %, voor ‘archiving software’ met 18,9 %. Hiërarchische opslag groeit het hardst: van 346 miljoen dollar omzet in 2004 tot 1,2 miljard dollar in 2009. Het kenmerk van hiërarchische opslag is dat opslag van informatie gebaseerd is op regels, die rechtstreeks voortvloeien uit de ‘records value chain’. De groei van informatie gaat zo hard dat de ‘waardering’ van informatie steeds belangrijker wordt. Diezelfde groei van informatie legt druk op de archiveringsmogelijkheden van bedrijven, overheden en individuen. De digitale ontwikkelingen hebben het thema meer dan ooit tot bij het MKB en het individu gebracht. Zij worden, onbekend met het omgaan met een explosief groeiende informatiemassa, voor het probleem gesteld, waardevolle informatie toegankelijk en beschikbaar te houden. ‘Digital Archiving’ democratiseert.

Een tweede ontwikkeling is het toenemend aantal regels, die organisaties opdragen verantwoording af te leggen over hun handelen. Veel van die regels betreffen de opslag van informatie en de reconstructie daarvan in de toekomst. ‘Compliance’ is, zoals ik hiervoor al aangaf, vooral actueel sinds de invoering van de Amerikaanse Sarbanes-Oxley Act in 2002, toen aan alle aan de Amerikaanse beurs genoteerde bedrijven ‘aantoonbaarheid van handelen’ werd opgelegd. Ook in Nederland wordt, mede op basis van Europese richtlijnen, steeds meer getoetst of wetten en regels worden nageleefd. De rapporten van de Algemene Rekenkamer en de gemeentelijke equivalenten daarvan tonen dat steeds weer aan. Uit die onderzoeken blijkt, hoe vooral (digitale) archieven gebruikt worden om te bepalen in hoeverre een organisatie ‘compliant’ is (geweest). Bij vele organisaties schort het aan een adequate archivering, waardoor ‘compliance’ moet worden aangenomen, maar niet kan worden aangetoond. Vaak blijkt dat door het negeren van (archief-) wet- en regelgeving onderzoek naar ‘compliance’ zelfs niet mogelijk is. Organisaties kunnen zich vaak niet (of nauwelijks) concreet verantwoorden en dat doet afbreuk aan het vertrouwen van de klant en de burger. Het afleggen van verantwoording en transparantie van handelen zijn hoekstenen van een democratische rechtsstaat. De effectiviteit en efficiency van bedrijfsprocessen kan worden verhoogd als informatie digitaal door de processen kan worden geleid en het werk digitaal kan worden afgehandeld. Digitale afhandeling roept vragen op: over de authenticiteit en integriteit van digitale bestanden, over de contextualiteit ervan, over de rechtmatigheid van de omzetting van analoog naar digitaal, over de wijze waarop digitale bestanden toegankelijk en beschikbaar kunnen blijven en hoe dat het in stand houden van authenticiteit en integriteit moet worden georganiseerd. De tomeloze groei in digitale informatie maakt dit erg complex.

Een derde ontwikkeling is het bewustzijn dat grotere aandacht moet worden besteed aan ‘digitale duurzaamheid’, waaronder het langdurige behoud en de blijvende toegankelijkheid van informatie moet worden verstaan. Veel organisaties willen het behoud en de toegankelijkheid van hun analoge informatiebestanden vergroten door ze in digitale vormen om te zetten. Deze digitaliseringsprojecten brengen voordelen door de versimpeling van beheer en management, door een grotere toegankelijkheid en een continue beschikbaarheid. Het inzetten van digitalisering als een vorm van ‘disaster recovery’ voor cultuurhistorisch erfgoed is (vanwege de kosten) nog geen ‘usance’, maar kan een aantrekkelijke strategie zijn om de op analoge media vastgelegde ‘kennis’ te ‘conserveren’. In deze projecten blijkt voortdurend dat digitale informatie niet duurzaam is, dat er vele technische en organisatorische waarborgen moeten worden getroffen om digitale informatie in stand te houden. Het probleem wordt ook als ‘Digitale Alzheimer‘ aangeduid, of, zoals de toenmalige Rijksarchiefinspectie het benoemde, de ‘dementerende overheid‘. Dit leidt tot investeringen in oplossingen voor het langdurige behoud van informatie. Problematisch hierbij is dat het tot nu onduidelijk is wat de werkelijke kosten zijn van duurzame bewaring; er bestaat namelijk geen overeenkomst over de uitgangspunten van de kostenberekeningen. Om een risicoafweging voor investeringen te kunnen maken dient wel inzicht te worden verworven in de werkelijke kosten. Digitale informatie dient ‘onafhankelijk’ te worden van hard- en software. Het bewustzijn van de falende duurzaamheid van digitale informatie is nog beperkt (zeker buiten het beroependomein en de archiefwetenschap), met alle risico’s voor het ‘blijvende geheugen’ van de samenleving als gevolg.

Deze drie ontwikkelingen stimuleren het multidisciplinaire onderzoek naar de organisatorische consequenties van Digital Archiving, in relatie tot Compliance. Om kennisontwikkeling op dit evoluerende terrein te realiseren heeft de Hogeschool van Amsterdam een Bijzonder Lectoraat Digital Archiving & Compliance ingericht en heeft mij aangesteld als Bijzonder Lector. Als zodanig heb ik de taak om deze uitdagende problematiek te vertalen in onderzoek en onderwijs en het bewustzijn te doen ontstaan dat geen enkele opleiding tegenwoordig zonder aandacht voor Digital Archiving & Compliance kan. Want ieder beroep wordt (en zal in de komende jaren nog meer) geconfronteerd (worden) met het feit dat de betrouwbaarheid, toegankelijkheid en duurzaamheid van informatie onlosmakelijk verbonden is met een efficiënte en effectieve uitoefening van het werk, des te meer als dat op een ‘nieuwe’ manier moet gaan plaatsvinden. Mijn motto voor de komende maanden is dan ook: ‘full speed ahead’….

Karl Weick is een van de grote denkers binnen de organisatietheorie. Hij is hoogleraar Organizational Behaviour and Psychology aan de Ross School of Business van de universiteit van Michigan. Mijn eerste kennismaking met het werk van Weick was The social psychology of organizing uit 1969, dat een van de meest gelezen en bepalende boeken van de organisatiepsychologie werd en dat verplichte kost is voor iedereen die werkt of wil werken aan de verbetering van organisaties. Dit boek legt de grondslag voor Weick’s denken, dat vervolgens in al zijn publicaties verder wordt uitgewerkt, verdiept, verduidelijkt en geoperationaliseerd. Eenmaal gegrepen door Weick en overtuigt door zijn (veelvuldig) provocatieve, maar in de praktijk van organisaties gewortelde opvattingen, heb ik al zijn publicaties verzameld, gelezen, herlezen en (zo goed en kwaad als ik dat kon) toegepast in mijn eigen onderzoek- en adviespraktijk.

Volgens Weick bestaat er geen objectief waarneembare werkelijkheid. Organiseren is een sociaal proces van beïnvloeden en beïnvloed worden. Tijdens dit proces scheppen mensen langzamerhand een werkelijkheid. Uit de oneindige hoeveelheid variaties die optreden door veranderingen in de omgeving worden sommige wel en sommige niet geselecteerd door de leden van organisaties. Dit proces wordt ‘enactment’ genoemd en heeft in de organisatiekundige literatuur een status van algemene geldigheid verworven. Weick omschrijft het als volgt: ‘Managers construct, rearrange, single out, and demolish many ‘objective’ features of their surroundings. When people act they unrandomize variables, insert vestiges of orderliness, and literally create their own constraints’ (Social Psychology of Organizing, p. 243). ‘Enactment’ leidt tot een verbondenheid van een individu of groep mensen met de omgeving, maar het bereiken van overeenstemming over de juiste interpretatie van de ‘enacted environment’ vergt grote sociale inspanning. De interpretatie die uiteindelijk wordt gebruikt leidt tot een selectie van een dergelijke ‘enacted environment’ en leidt tot een bepaalde, op die selectie afgestemde reactie, die vervolgens in het ‘geheugen van de organisatie’ wordt opgeslagen. Die organisaties, waarin de leden geen overeenstemming kunnen bereiken over de te gebruiken interpretatie van de omgeving, zijn ten dode opgeschreven.

Op de theorie van ‘enactment’ is al het andere werk van Weick gebaseerd. We danken daaraan theorieën over ‘loose coupled systems’, ‘sense making’ en ‘mindfulness’.

‘Loose coupling’, een fenomeen uit de computertechnologie, werd door Weick in een organisatorische context gebracht, in die zin dat het wijst op de noodzakelijke flexibiliteit tussen het beeld dat een organisatie ontwikkelt van de realiteit (of te wel: de ‘enacted enivironment’ die de organisatie selecteert) en de feitelijk bestaande actuele situatie, waarin het uiteindelijk handelt. Een ‘loose coupling’ maakt een relatie mogelijk tussen deze niet goed te verenigen entiteiten. Weick besteedde voor het eerst aandacht aan dit fenomeen in 1976 en publiceerde uiteindelijk de ‘definitieve gids’, samen met J.D. Orton, in 1990 als Loosely Coupled Systems. A reconceptualization in de Academy of Management Review.

‘Sense making’ is het proces waarin de leden van organisaties proberen de organisatorische omgeving te begrijpen en vorm te geven om onzekerheid en dubbelzinnigheid terug te dringen. Het is nauw verbonden met het proces waarbij organisaties ‘enacted environments’ selecteren. Daarnaast handelt het proces ook over de wijze waarop de omgeving de organisatie begrijpt. Weick publiceerde twee belangrijke boeken over dit fenomeen: Sensemaking in Organizations in 1995 en Making Sense of the Organization in 2001.

‘Mindfulness’, tenslotte, werd door Weick in 1999 geïntroduceerd in de organisatiekundige literatuur als ‘collective mindfulness’. Het concept moet veiliger culturen realiseren, die betere systeemresultaten opleveren. Organisaties die sterk zijn in ‘collective mindfulness’ kennen een aantal karakteristieken: ‘Preoccupation with failure’, ‘Reluctance to simplify’, ‘Sensitivity to operations’, ‘Commitment to Resilience’, en ‘Underspecification of structures’ (Organizaing for High Reliability, p. 37-50). Weick (en zijn mede-auteurs Kathleen Sutcliffe en David Obstfeld) omschrijven het als volgt: ‘The languageof a near miss, having the bubble, migrating decisions, conceptual slack, resilience, normal accidents, redundancy, variable disjunction, struggle for alertness, performance pressure, situational awareness, interactive complexity, and prideful wariness, describes how people organize around failures in ways that induce mindful awareness. That mindfulness, in turn, reveals unexpected threats to well being that can escalate out of control’ (Organizing for High Reliability, p. 61-62).

En dat brengt ons (zij het wat laat) op de aanleiding voor deze blogpost: de recente vertaling van Managing the Unexpected. Assuring High Performance in an Age of Complexity als Management van het onverwachte. Wat je kunt leren van high reliability organizations. Het boek is een samenwerking tussen Weick en Sutcliffe en is een rechtstreeks vervolg op Organizing for High Reliability.

Weick en Sutcliffe illustreren wat organisaties kunnen leren van organisaties die voortdurend alert moeten zijn op het onverwachte. Dit is namelijk wat deze ‘high reliability organizations’ (HRO’s) veel beter doen dan andere organisaties. Het boek analyseert een aantal rampen, zoekt nuance, en laat de feilbare mens zien in onze zelf geschapen hoogcomplexe maatschappij. Op basis van cases, waarbij de deelnemers vele signalen voor falen en fouten negeerden, komen de auteurs tot vijf principes waarvan HRO’s zich bedienen. De auteurs onderscheiden dezelfde principes, die zij in het kader van ‘collective mindfulness’ identificeerden. Met één uitzondering: ‘Underspecification of structures’ wordt vervangen door ‘Deference to expertise’. Het boek gaat diep in op deze vijf principes. Ze worden uitstekend toegelicht.

HRO’s zijn continue in staat om kleine missers tijdig te herkennen en in de kiem te smoren. Ondanks hun hoge risicoprofiel hebben deze bedrijven een onevenredig laag percentage forse incidenten. HRO’s zijn gericht op afwijkingen en staan altijd uitgebreid stil bij bijna-ongelukken. Fouten worden geanalyseerd om te zien hoe ze kunnen worden vermeden. Geen enkele fout wordt genegeerd, zoals in traditionele organisaties vaak wel het geval is. HRO’s hebben een cultuur, waarin scepsis wordt gestimuleerd en getolereerd en waarbij ‘consensus-denken’ niet snel wordt toegepast. De organisaties besteden veel aandacht aan de mensen, die de procesuitvoering verzorgen. Zij zijn degenen die signalen van zwakte moeten kunnen waarnemen. Een HRO heeft na een onverwachte gebeurtenis de souplesse om zich te ‘hervinden’. Ze vertonen een hoge mate van veerkracht. En wat vooral kenmerkend is: expertise kan niet ‘overruled’ worden door een manager hoger in de hiërarchie. Het benutten van expertise vereist communicatie over en weer. Expertise vraagt ook om ‘deskundige ongehoorzaamheid’: soms moet een professional durven afwijken van het gangbare, om erger te voorkomen.

Weick en Sutcliff propageren een geleidelijke aanpak, waarin medewerkers door het realiseren van ‘small wins’ de voordelen van ‘mindfulness’ ervaren. Door problemen op kleine schaal te onderzoeken en aan te pakken hebben medewerkers meer kans op succes en daardoor een grotere stimulans om alert te zijn op afwijkingen. Het boek kenmerkt zich door de onconventionele aanpak en de vooruitzichten op concrete resultaten. Een combinatie die zeldzaam is in de dagelijkse hausse van nieuwe managementboeken.

Voor proactieve managers adviseert Weick zich eerst een preoccupatie met mislukking aan te meten. Stap één daarbij is het kijken naar hoe de zaken op dit moment worden aangepakt. Dat lijkt vreemd, maar is het niet: de meeste organisaties hebben geen benul wat ze precies doen. Weick adviseert ten tweede om een catastrofe uit het verleden stap voor stap te doorlopen met de medewerkers, die daarbij aanwezig waren. En ten slotte is het zaak om te kijken hoe die mislukking verband houdt met het gebrek aan kennis over de dagelijkse gang van zaken. Op die manier kan worden vastgesteld waar in de organisatie een transformatie het meest nodig is. Het belangrijkste besef voor managers is misschien wel dat ‘high reliability’ een blijvend proces is, waar continu hard aan gewerkt moet worden.

De vertaling is volgens mij goed uitgevoerd, maar het verbaast me eigenlijk wel dat de Amerikaanse uitgave van 2001 daarvoor als uitgangspunt is gebruikt. In 2007 immers verscheen een tweede uitgave, waarin een aantal wijzigingen, aanpassingen en uitbreidingen is aangebracht.

Karl Weick is een van mijn goeroe’s. Vooral zijn kritiek op het ‘consensus-denken’ doet mij goed. Het feit dat in organisaties altijd en overal iedereen het met elkaar eens moet worden is dodelijk. Het doet iedere daadkracht verdwijnen, leidt tot voortdurend uitstellen van noodzakelijke besluiten en, misschien nog wel het voornaamste, leidt tot ‘gesloten’ organisaties, die niet of nauwelijks adequaat op hun omgeving kunnen reageren. Het is overigens volstrekt toevallig dat deze problemen zich ook in de Europese politiek voordoen….

De val van de Khadaffi’s in Lybië, het decadente en platvloerse gedrag van Berlusconi, het infantiele gedrag van onze eigen vertegenwoordigers in de Tweede Kamer, het (on-)gecontroleerde faillissement van Griekenland, de voortwoekerende Europese (en Amerikaanse) schuldencrisis door politieke incompetentie, het vervagen van maatschappelijke tolerantie en het voortdurende ‘haantjes’-gedrag van de Nederlandse bestuurders: het zijn allemaal thema’s die aandacht verdienen en die hier op hun plaats zouden zijn. Maar wat mij de afgelopen maand werkelijk geïntrigeerd heeft is kennis te nemen van het kamikaze-gedrag van Diederik Stapel, oud-hoogleraar sociale psychologie aan de Universiteit van Tilburg, die zonder ook maar een poging tot ontkenning te doen op een vraag van zijn decaan toegaf onderzoeksgegevens te hebben gefingeerd en dus wetenschappelijke fraude te hebben gepleegd. En die daarmee de wetenschappelijke wereld op zijn kop zet en alle oude verdedigingsmechanismen daarin tot volle glorie brengt !

Wonderbaarlijk !

Eerlijk gezegd kende ik Stapel niet en ben ik nooit geconfronteerd geweest met zijn werk (ondanks de omvang daarvan). ‘Egoïsme’ en ‘hufterigheid’ heb ik nooit geassocieerd met het eten van vlees, al zou het best kunnen zijn dat er een relatie ligt. Dat in het kader van een (nog niet gepubliceerd) onderzoek gegevens zijn gefingeerd, wil nog niet zeggen dat de algehele stelling onjuist is. De twijfel over de juistheid neemt uiteraard wel toe, vooral ook als de betrokken onderzoekers daarnaast in daden en denken ook nog nauwe banden hebben met organisaties als ‘Wakker Dier’. Dat die gefingeerde data kritiekloos door de andere betrokken wetenschappers zijn geaccepteerd, is ze uiterst kwalijk te nemen en getuigt van een houding die wetenschappers onwaardig is. Persoonlijke opvattingen over wat wenselijke conclusies zijn, mag geen aanleiding zijn tot kritiekloos accepteren van ongevalideerde gegevens. Hoe beroemd, geacht of bewonderd de inbrenger van die gegevens ook is !

Het houdt voor Stapel waarschijnlijk niet op bij dat onderzoek. Ook zijn promovendi hebben in hun empirische onderzoeken gebruik gemaakt van onderzoeksgegevens afkomstig van Stapel zelf en dat kan tot kwalijke consequenties leiden voor de betrokkenen. Overigens: net als de betrokken wetenschappers hierboven, dient een promovendus in principe geen gebruik te maken van onderzoeksgegevens, die niet zijn gevalideerd. Een promotie is het teken van wetenschappelijke volwassenheid en daar hoort een kritische houding ten opzichte van aangeleverde gegevens bij. Het is mij bekend dat het veelvuldig voorkomt dat onderzoeksgegevens aangeleverd worden aan afstudeerders en promovendi en dat op basis van die gegevens onderzoek verricht wordt. Als een vingeroefening kan dat geen kwaad, maar als het om onderzoek gaat dat tot publicaties leidt, is het wetenschappelijk onvergeeflijk de gegevens niet te verifiëren en te valideren. Stapel is niet de enige die blaam treft !

Dat de universiteit van Tilburg de gepubliceerde werken van Stapel laat onderzoeken naar malversaties is natuurlijk volstrekt logisch. Ook dat de Universiteiten van Groningen, waar Stapel in het verleden werkte, en Amsterdam, waar hij promoveerde, eenzelfde onderzoek instellen. De werken van een frauderende wetenschapper dienen te worden gefileerd. Want wat is er waar van de gedane beweringen en conclusies ? Klopt het bronnenmateriaal wel ? Is de bewerking van die gegevens valide ? Zijn de conclusies deugdelijk en in overeenstemming met valide interpretaties ? Is de gebruikte onderzoeksmethode bekend, deugdelijk en juist toegepast ?

Intrigerend is ook algehele reactie uit de wetenschappelijke wereld dat er sprake is van iets unieks, iets dat eigenlijk nauwelijks voorkomt dankzij het ‘zelfreinigende’ vermogen van de wetenschap, iets zeldzaams. Maar is dat wel zo ?

Voorop staat dat er een redelijk effectief controlesysteem bestaat binnen de wetenschap, en dat dit soort opzienbarende zaken uitzonderlijk is. En het komt altijd uit, vroeger of later. Voor fraudeurs is het ook altijd het einde van de wetenschappelijke carrière. Wielrenners zitten twee jaar na een dopinggeval weer op de fiets. Bankiers blijven na een schimmige credit default swap rustig zitten.

Dat gezegd: fraude is, uiteraard afhankelijk van de definitie, niet zo uniek of zeldzaam als wel gedacht wordt. Bij het gebruik van de enge betekenis van het woord is fraude het falsificeren of fingeren van gegevens. Een wat bredere betekenis van het begrip brengt ook allerlei andere vormen van wetenschappelijk wangedrag onder de term, zoals plagiaat, het achterwege laten van noodzakelijke citaties, zelf-plagiëring, ghostwriting, strategische zelf-citatie e.d. Fraude in enge zin komt niet zo uitzonderlijk veel voor. Wetenschappelijk wangedrag daarentegen veel vaker, en de wetenschappelijke zelfreiniging werkt hiertegen ook minder goed.

In de afgelopen jaren is wetenschappelijke fraude en wangedrag regelmatig aan de orde. Als voorbeelden:

En ik weet zeker dat er nog meer aan deze rij toe te voegen zijn….

Daniele Fanelli heeft een meta-analyse uitgevoerd in de onderzoeken naar het voorkomen van wetenschappelijk wangedrag en fraude, die over het algemeen moeilijk te vergelijken zijn. Hij schrijft: ‘A pooled weighted average of 1.97% (N = 7, 95%CI: 0.86–4.45) of scientists admitted to have fabricated, falsified or modified data or results at least once – a serious form of misconduct by any standard – and up to 33.7% admitted other questionable research practices. In surveys asking about the behaviour of colleagues, admission rates were 14.12% (N = 12, 95% CI: 9.91–19.72) for falsification, and up to 72% for other questionable research practices. Meta-regression showed that self reports surveys, surveys using the words “falsification” or “fabrication”, and mailed surveys yielded lower percentages of misconduct. When these factors were controlled for, misconduct was reported more frequently by medical/pharmacological researchers than others. Considering that these surveys ask sensitive questions and have other limitations, it appears likely that this is a conservative estimate of the true prevalence of scientific misconduct’. Dat Fanelli het een conservatief resultaat vindt, blijkt ook uit het feit dat ongeveer 15 % van de ondervraagde wetenschappers stelt zich bewust te zijn van het feit dat collega’s ‘have seriously breached acceptable conduct by inventing results’. En 46 % geeft toe dat ze hebben waargenomen dat collega-wetenschappers ‘questionable practices’ hebben uitgevoerd, zoals ‘presenting data selectively or changing the conclusions of a study in response to pressure from a funding source’. Die 2 % had dan ook met name betrekking op het eigen gedrag….

Het is dus niet uniek of zeldzaam dat wetenschappers zich misdragen. Stapel ging erg ver: het fingeren van data is absoluut uit den boze. Maar wetenschappelijk wangedrag is geen zeldzaamheid. Het feit dat daar slechts zeer beperkt op wordt gecontroleerd kan een reden zijn om het te doen, gedreven door de prestatiedruk die altijd aanwezig is.

En waarom Stapel over de scheef ging ? Ik heb geen idee. Een gearriveerde wetenschapper, regelmatig in het nieuws en in de media. Was het narcisme ? Verslaafd aan belangstelling ? Slachtoffer van zijn eigen uitspraak in zijn inaugurele rede: ‘Publicatiedrang leidt tot wetenschappelijke pornografie’ ? Waarschijnlijk weet hij het zelf ook niet.

Enige tijd geleden kreeg ik een in oktober 2010 verschenen boek van Graeme Donald in handen, Mussolini’s Barber. And other Stories of the Unknown Players who made History Happen. Volgens de site van Osprey Publishing is Donald ‘researching the origins of words, nursery rhymes, superstitions and popular misconceptions’. Het zorgde voor een paar uurtjes vermakelijke lectuur, want heel erg serieus te nemen is het allemaal niet.

Een van de verhalen in het boek had Ruth en Elliot Handler als onderwerp, de uitvinders van de Barbie-pop. En, zo stelt Donald, ‘They created their iconic toy after visiting Germany in 1956 and buying the Bild Lilli doll—an adult novelty item sold in German barber shops and nightclubs’. Ruth Handler heeft altijd ontkend dat ze van het ‘adult’ karakter van ‘Bild Lilli’ op de hoogte was bij de introductie van de Barbie. In de Sun zei Donald: While I was researching this I came across references to Nazi sex dolls and found out that Hitler had ordered them to be made. … As ever, more troops were laid low by disease than by bullets. Syphilis was a problem Hitler was aware of and he was rumored to have suffered from it himself.” En: ‘In the end the idea fizzled out and the place where they were made and all the dolls were destroyed in the bombing of Dresden’. En zo komt Donald op het Borghilde Project….

Wat hield dit project in ? Volgens Donald liet Adolf Hitler opblaasbare sekspoppen vervaardigen voor zijn soldaten, vooral om het gevaar voor seksueel overdraagbare aandoeningen te beperken. Heinrich Himmler zou in 1940 geschreven hebben dat het grootste gevaar in Parijs de wijdverspreide en ongecontroleerde aanwezigheid van hoeren was. Volgens Himmler was het een oorlogsnoodzakelijkheid de soldaten te beletten hun gezondheid te riskeren met dergelijke contacten. Hitler keurde het project goed, en vervolgens werden Arische sekspoppen ontwikkeld, die klein genoeg waren om in een rugzak te passen. Ze werden uitgetest door soldaten in het bezette Jersey. In 1942 werd het project afgeblazen; Duitse militairen weigerden de opblaaspoppen nog langer mee te zeulen in hun bagage. Ze waren bang dat ze zouden worden uitgelachen door Britse soldaten als die hen gevangen zouden nemen.

De uitgever van Donald’s boek heeft dit verhaal gebruikt om de belangstelling te wekken van het publiek. En dat heeft gewerkt, want het bericht dook de afgelopen weken ruimschoots op in de (meer of minder) respectabele nationale en internationale pers, zoals onder andere het Algemeen Dagblad, de Volkskrant, de New York Post, Time, Sun en Daily Mail. Op internet is het verhaal ontelbare malen gepost.

Toen ik het verhaal in Mussolini’s Barber las, herinnerde ik mij dat ik al eerder met dit Borghilde Project in aanraking was gekomen. Ik wist in ieder geval zeker dat er in 2009 een korte film gemaakt was met dezelfde titel en hetzelfde onderwerp. De nieuwswaarde van het verhaal van Donald leek mij dan ook beperkt en de aandacht ervoor in de pers rijkelijk overdreven. Dit gegeven zette mij er toe aan uit te zoeken hoe het verhaal is ontstaan.

Tot april 2005 was www.borghild.de, de enige website (ook in een engelse versie), die over dit thema ging. Op 11 april 2005 werd het project vermeld in taz-die Tageszeitung, waarbij als bron naar de hiervoor genoemde website werd verwezen. Of het artikel teruggaat op een eerder publicatie, is niet te herleiden. Na dit artikel duiken er (ook toen al !) talloze berichten op over het thema. Alle berichten toen presenteerden het project als een hard feit, maar nemen ook een feitelijke onjuistheid van de website kritiekloos over: het artikel vermeldt Joachim Mrugowski, een van de topfunctionarissen van het Hygienischen Institut van de Universität Halle, die een rol gespeeld heeft bij vele van de medische experimenten op concentratiekampgevangenen. De naam wordt echter consequent verkeerd gespeld, namelijk als Mrurgowski, een spelling die overal wordt overgenomen. In mei 2005 neemt Bild een artikel over het Project op, maar is daarin (tegen de normale praktijk in) voorzichtig en geeft aan het bericht niet verder te hebben onderzocht. In het artikel in Bild wordt vermeld: Fakt ist: der Prototyp der Puppe ist nie aufgetaucht. Allerdings wurde das Dresdner Hygiene-Museum während des Krieges schwer zerstört. Die Leiterin der Sammlung, die Kulturwissenschaftlerin Susanne Roeßiger (43): ‘Die Anfrage eines Wissenschaftlers der Freien Universität Berlin hat uns auf diesen durchaus interessanten Bericht aufmerksam gemacht. Seitdem recherchieren wir und prüfen unsere Archive. Bislang allerdings ohne Ergebnis’. Ook het verhaal van Donald meldt geen vermelding van het project in oorspronkelijk bronnenmateriaal (net als de website www.borghild.de op dit moment niet doet).

Opmerkelijk is verder een wisseling in de inhoud van de website. In deze blog wordt vermeld dat er een verschil bestond in de versie van 2005 (die het nieuws haalde) en de via de Wayback Machine te reconstrueren versie van 2003. Het verschil zat hem in de onderschriften van de opgenomen afbeeldingen. In de Engelse versie van 2005 was niet vermeld dat de afbeeldingen ‘reconstructies’ waren, gemaakt met behulp van etalagepoppen. De indruk werd gewekt dat het om originele afbeeldingen ging. De website in 2011 komt woord voor woord overeen met de gearchiveerde pagina uit 2003.

De auteur van de website ‘Norbert Lenz’, waarvan alleen de Engelse versie nadere informatie biedt, is ‘born 1966 in Hamburg, is a freelance-journalist contributing regulary to magazines like Stern, Max and Focus’. Hij is echter volstrekt onbekend en onvindbaar. Bij de genoemde tijdscriften zijn geen bijdragen onder zijn naam te vinden, wat merkwaardig mag worden genoemd. Het domein is geregistreerd onder de naam ‘Mike Cospro uit Neumarkt in de Oberpfalz, maar deze Mike is volstrekt onvindbaar. Het contactadres op www.borghild.de geeft geen enkele reactie.

Het lijkt er dus op dat het verhaal uit de duim gezogen is. Op 22 juni 2005 werd het al als een ‘hoax’ weggezet op BoingBoing, nadat de site daarvan met bovenstaande argumenten was overtuigd door Rochus Wolff, die in zijn blog uitgebreid op de zaak is ingegaan en ook nog andere argumenten had om het verhaal aan de kant te schuiven.

Uit welke hoek de ‘hoax’ geënsceneerd is, is moeilijk te zeggen. Er zijn wel wat marginale aanwijzingen, die te maken hebben met de sites waaraan www.borghild.de gerelateerd is via de registrator. Direct gerelateerd is de site aan First-Androids.de, die op haar beurt weer gelinkt is aan sites als www.fair-girls.de en www.hure.de. Het lijkt er dus op dat het verhaal uit de koker van de Duitse seksindustrie afkomstig is.

Het is dan ook verwonderlijk dat een verhaal dat al lang naar het land der fabelen is verwezen nog steeds als nieuwigheid de pers kan halen. Het geeft maar aan dat het geheugen kort is, berichten klakkeloos worden overgenomen zonder ook maar enig onderzoek uit te voeren en spektakel de voorkeur heeft boven echte nieuwswaarde.

Donald heeft echter goede reclame gehad voor zijn boek. Dat bijna niemand in de gaten heeft dat hij simpelweg een al reeds geruime tijd als ‘hoax’ bekend staand verhaal als ‘waarheid’ weet te verkopen, mogen vooral de betrokken persmedia zich aanrekenen.

Overigens, en tot slot: buiten het feit dat Donald’s boek erg vermakelijk is, zijn er weinig redenen om het aan te schaffen. Laat dus maar rustig voorbij gaan !

Het is voor de lezer van deze blog geen geheim dat ik nogal kritisch ben over de handel en wandel van onze ‘elites’ en dat ik ernstige twijfels heb over de daarbinnen gangbare waarden en normen. Uiteraard is het een uitvloeisel van een wereldwijde trend en als zodanig zijn de uitwassen in Nederland nog maar een mager aftreksel van wat er zich in de bijna failliete grootmacht van de Angelsaksische democratie afspeelt: de USA. Een van de meest verlammende verschijnselen van de democratie in dat land, de vermenging van de invloed en macht van commerciële bedrijven met die van gekozen en benoemde regeringsfunctionarissen, doet zich in ons land nog niet in die mate voor.

In de USA worden politici ‘gekocht’, ze worden betaald met steeds stijgende campagnebijdragen van ‘big business’, waardoor het ‘publieke belang’ in zijn algemeenheid het onderspit delft. Miljoenen dollars aan campagnebijdragen, tienduizenden grof betaalde lobbyisten en voortdurende carrièrewisselingen tussen de publieke en private sector hebben geleid tot een vervaging van de verschillen tussen overheid en bedrijfsleven. Het heeft geleid tot een gezondheidsstelsel dat in extreme mate ten voordele van de farmaceutische industrie werkt, een oorlogsindustrie die heeft geleid tot een leger dat twintig keer zo groot is als maximaal nodig voor de verdediging van de belangen van de USA (en tot uitpuilende geldkassen van de betreffende bedrijven) en een financiële sector die zich niets aantrekt van ethiek, transparantie en maatschappelijke waarden en haar topmannen bedeelt met miljarden aan bonussen. Juist deze verschijnselen en uitwassen zijn ook in Nederland waarneembaar.

Een van de grote verdiensten van Wikileaks is de openbaring geweest van de exorbitante invloed van multinationals op de Amerikaanse diplomatie. Of, zoals een commentator het uitdrukte: ‘many of the WikiLeaks US embassy cables reveal the naked intervention by our ambassadorial staff in the business of foreign countries on behalf of US corporations. From mining companies in Peru to pharmaceutical companies in Ecuador, one WikiLeaks embassy cable after the next illuminates a pattern of US diplomats shilling for corporate interests abroad in the most underhanded and sleazy ways imaginable’. Wikileaks maakt het duidelijk dat optreden als bedrijfsvertegenwoordigers normaal is in de Amerikaanse diplomatie. Wikileaks biedt schokkende informatie over de vergaande manipulaties waartoe Washington bereid is ter verdediging van de belangen van Amerikaanse bedrijven.

In een aantal berichten is te zien hoever functionarissen van het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken gaan voor de marketing van Boeing. De New York Times onthulde een aantal details, maar de berichten uit Wikileaks maken pas duidelijk wat er werkelijk plaatsvond. De berichten tonen dat Amerikaanse diplomaten zelfs zover zijn gegaan de verkoop te saboteren die het Europese Airbus consortium dacht te hebben gerealiseerd in het Midden Oosten. De Wikileaks-berichten maken duidelijk dat omkoperij en betalingen aan verdachte tussenhandelaren nog aan de orde van de dag zijn. Diplomaten deden aanbiedingen voor Boeing vliegtuigen aan de staatshoofden en vliegmaatschappijen in Saoedi-Arabië, Bahrein, Jordanië, Turkije en een aantal andere landen. De Amerikaanse ambassade in Turkije pushte voor een deal van ongeveer $ 3,4 miljard voor de verkoop van vliegtuigen aan Turkish Airlines. De tegenprestatie ? Een belofte van Obama om een Turkse astronaut mee te nemen in een NASA ruimtevlucht. Het meest ironische in het bericht van de Amerikaanse ambassadeur is zijn verbazing over de ‘conflation of USG-GOT interactions and what is ostensibly a commercial sale between private firms’. Hij ziet dat als een ‘an unwelcome, but unsurprising degree of political influence in this transaction’. Nogal lachwekkend, gezien het feit dat het het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken is dat ten behoeve van een privaat bedrijf de deal realiseert. Het bericht gaat verder: ‘We probably cannot put a Turkish astronaut in orbit, but there are programs we could undertake to strengthen Turkey’s capacity in this area that would meet our own goals for improved aviation safety. In any case, we must show some response to the minister’s vague request if we want to maximize chances for the sale’. Ook Saoedi-Arabië sloot een deal van ongeveer $ 3 miljard, waarbij door Wikileaks duidelijk wordt dat er jarenlang gelobby voor nodig is geweest door de hoogste Amerikaanse regeringskringen. Een ander bericht uit 2008 geeft aan hoe een Airbus-verkoop aan Bahrein werd gesaboteerd door grote inspanningen van de Amerikaanse ambassadeur.

Boeing was niet de enige multinational die profiteerde. In een bericht van eind 2007 adviseerde de toenmalige ambassadeur in Frankrijk, Craig Stapleton, om een handelsoorlog te starten tegen de ieder land van de Europese Unie dat tegen genetisch gemanipuleerde producten was. ‘Country team Paris recommends that we calibrate a target retaliation list that causes some pain across the EU since this is a collective responsibility, but that also focuses in part on the worst culprits. The list should be measured rather than vicious and must be sustainable over the long term, since we should not expect an early victory’, zo schrijft hij. Stapleton reageerde op pogingen van Frankrijk om genetisch gemanipuleerde producten van Monsanto te verbieden. ‘Moving to retaliation will make clear that the current path has real costs to EU interests and could help strengthen European pro-biotech voices’. In een bericht uit 2009 van de ambassadeur in Spanje worden vergaderingen met Monsanto-vertegenwoordigers gemeld, waaruit blijkt dat de Amerikaanse diplomaten directe opdrachten van Amerikaanse bedrijven kregen en uitvoerden. Het bericht roept op tot een directe interventie van de Amerikaanse regering ten behoeve van Monsanto. ‘ACTION REQUESTED: In response to recent urgent requests by [Spanish rural affairs ministry] State Secretary Josep Puxeu and Monsanto, post requests renewed US government support of Spain’s science-based agricultural biotechnology position through high-level US government intervention’.

In oktober 2009 vaardigde de Ecuadoraanse president Rafael Correa een wet uit die trachtte de toegang tot medicijnen te bevorderen en publieke gezondheidszorgprogramma’s te ondersteunen. Doel was de kosten van medicijnen te verlagen. Berichten op Wikileaks tonen hoe ambassadepersoneel in Ecuador, regeringsfunctionarissen in Washington (inclusief drie ministers) en internationale farmaceutische bedrijven informatie deelden en trachten de Ecuadoriaanse politiek te ondermijnen. De pogingen mislukten, maar sommige berichten tonen verregaande inmenging. Dat van 21 oktober 2009 wijst op ontmoetingen met ‘well-placed contacts’ in ‘potentially sympathetic ministries’. In wat lijkt op pogingen tot chantage verzekert gezondheidsminister Caroline Chang (een van de contacten) de farmaceutische bedrijven dat ‘she was looking into financial irregularities and business dealings of some of our local producers with the intent of gaining some leverage’.

En zo kunnen nog meer van dergelijke inmengingen genoemd worden, waarbij vooral mijnbedrijven de warme belangstelling hebben van de Amerikaanse diplomatie. Dit bericht bijvoorbeeld laat niets blijken van de werkelijke gang van zaken. Integendeel, de opsteller (de voormalige ambassadeur in Peru, J. Curtis Strubble, laat zich nogal neerbuigend uit over de oppositie: ‘The anti-mining forces in action in Majaz represent a strange group of bedfellows indeed — the Catholic church, violent radical leftists, NGOs, ronderos and perhaps narcotraffickers. Working behind the scene are a combination of the Peruvian Communist Party/Patria Roja, national teachers, union SUTEP and perhaps opium poppy traffickers’. Het mijnbedrijf kwam er beter vanaf: ‘Majaz has spent $20 million exploring for copper for over a year, building roads and providing services and employment to area residents. Militants still deny access to most of the pipeline route’. De lange geschiedenis van landschapsvernietiging, milieuproblemen, wetsovertredingen, het gebruik van paramilitaire groepen, moordpartijen onder opposanten en de diefstal van land, worden genoegzaam vergeten.

Het feit dat diplomaten ook voor bedrijfsspionage worden ingezet hoeft gezien het voorgaande niet te verbazen. Een bericht van 17 maart 2008 van de Amerikaanse ambassade in Peru toont dat diplomaten, zoals een commentator opmerkt, ‘spied on indigenous activists and their supporters who were organizing anti-summit protests against the European Union-Latin American Heads of State summit that was scheduled in Lima that year’. Ambassadeur Nealon beschrijft ‘the enemies of corporate power as being enemies of the United States’. Vakbonden, milieugroepen en mensenrechtenactivisten worden als vijandige terroristen weggezet, omdat ze de winsten van het bedrijfsleven bedreigen.

De Wikileaks-berichten bieden een blik op de onderdanigheid en dienstbaarheid van de Amerikaanse diplomatie aan ‘corporate behemots’, zonder acht te slaan op de kosten voor de betrokken burgers of voor de omgeving. Het lijkt er op dat de samensmelting tussen publiek en privaat in de USA in een versneld tempo aan het plaatsvinden is. Het vindt ook plaats in het grootste geheim, ten koste van transparantie en ‘accountability’. Wikileaks lijkt het enige overgebleven mechanisme te zijn dat licht biedt op deze volstrekt ongewenste inmenging van bedrijfsbelangen in het regeringsbeleid.

Democratie lijkt (in de USA althans) vervangen te worden door een corpocratie, die zich niets gelegen laat liggen aan het algemene belang en die slechts het belang van commerciële partijen dient. Willen wij nog wel met zo’n ondemocratische bondgenoot aan tafel ?

In Nederland is het nog niet zover. Maar ook hier zijn de tentakels van lobbyisten zichtbaar en probeert het internationale bedrijfsleven invloed uit te oefenen. Het lijkt mij noodzakelijk precies in kaart te brengen welke banen (vooral) Eerste Kamerleden hebben (want het lidmaatschap van de Senaat is niet meer dan een bijbaan), wie de Nederlandse politieke partijen financieren en wie politici fêteert. Want niets is voor niets….

Bubbels

No comments

Het was een onrustige tijd de afgelopen twee maanden. Politiek, sociaal, cultureel en economisch. De regering blijft ook in de Eerste Kamer van een meerderheid verstoken en zal dus alle zeilen moeten bijzetten om wetsvoorstellen gerealiseerd te krijgen. De maatregelen van de regering breken de al aan degeneratie onderhevige sociale welzijnsstaat verder af. De culturele sector wordt van het overheidsinfuus afgehaald en dat valt niet in goede aarde, al is de maatschappelijke onrust daarover zo goed als nihil. Economisch is het goede nieuws dat Nederland de kredietcrisis overleefd heeft en weer bijna op het niveau van daarvoor aangeland is. Het slechte nieuws is dat het land in een nog veel groter gat gaan vallen als de schuldenpositie van de Europese landen ontploft. Een niet geheel onrealistisch scenario ! Voer te over dus ! Ik wil het deze keer gaan hebben over het leeglopen van een aantal ‘bubbels’ die we de afgelopen decennia hebben gecreëerd, namelijk de huizenbubbel, de internetbubbel en ook de cultuurbubbel. Ze zijn van verschillende grootte, hebben de potentie om explosief te worden, hebben bij explosie grote consequenties en worden over het algemeen volledig genegeerd.

Huizenbubbel in optima forma

Het is niet te ontkennen: Nederland heeft een huizenbubbel. Vooral de banken en de vastgoedsector hebben er geen behoefte aan dat te bevestigen. De consequenties van een leeglopende bubbel zijn enorm groot. De prijzen zijn vanaf 2007 ruim 8 procent gedaald, maar een verdere sterke daling is zelfs al door het altijd positieve makelaarsgilde (de NVM) aangekondigd. De huizenprijzen hebben een excessieve stijging achter de rug. Vanaf 1985 tot 2007 stegen de reële prijzen (gecorrigeerd voor inflatie) met 165 procent. Een website als Wegwijs heeft al lange tijd proberen duidelijk te maken dat die stijging in geen enkele verhouding staat tot de stijging van het besteedbaar inkomen, dat van 1990 tot 2009 met maar 17 procent steeg. In 2010 werden 126.000 woningen verkocht, het laagste aantal in twintig jaar. In het eerste kwartaal van 2011 stonden 192.000 huizen te koop, vele daarvan al langer dan ooit tevoren.

De reden voor de prijsstijging kan niet anders zijn dan de door de overheid, toezichthouders en bancaire wereld voortdurend gestimuleerde groei van de hypotheekschuld. Wij zijn recordhouder als het gaat om de totale hoogte van de hypotheekschulden als percentage van het bruto binnenlands product: 106 procent, tegen 71 procent in de VS ! De teller stond eind 2010 op 629 miljard euro. Er zijn een aantal redenen te noemen die de Nederlandse huizenbezitter gestimuleerd hebben een schuldenpositie op te bouwen. Uiteraard speelt de gecreëerde hypotheekrenteaftrek een belangrijke rol, maar andere stimulansen speelden ook mee. Wat te denken van het steeds verder versoepelen van de leenvoorwaarden ? Banken introduceerden op grote schaal hypotheekvormen, waarmee huizenkopers meer konden lenen, zonder dat de maandelijkse lasten enorm stegen. Vijftig procent van de hypotheekschuld wordt gedragen door aflossingsvrije hypotheken, die door de overheid fiscaal zeer aantrekkelijk zijn gemaakt. Bij de spaarhypotheek is de schuld maximaal om van de aftrek te profiteren, al wordt hierbij nog wel vermogen opgebouwd. Het aantal tophypotheken is verontrustend hoog: de schuld kan oplopen tot 120 procent van de woningwaarde. Meer dan een half miljoen huishoudens heeft een lening die hoger is dan de woningwaarde. Een restschuld dreigt dan al snel. Banken hebben gretig meegewerkt, niet gehinderd door wettelijke regels of risicobewustzijn van de consument.

Een leeglopende bubbel ?

Bubbels zijn altijd het gevolg van excessieve kredietverlening en de verwachting dat prijzen blijven stijgen. Om de bubbel te laten bestaan moet de schuldmachine draaien, maar dat gebeurt nu door de schrikeffecten van de crisis niet of nauwelijks. Gevolg: de huizenprijzen gaan nog veel verder dalen dan de 8 procent tot nu toe. Ik verwacht zelf uiteindelijk dalingen tot 30 of 40 procent. Die daling wordt ook gestimuleerd door het stijgen van de rente, en het ziet er niet naar uit dat daar een einde aan komt. De lucht loopt uit de bubbel. Het wordt duidelijk dat schulden moeten worden afbetaald. En daar zit een probleem, want de spaartegoeden wegen niet tegen de schulden op. NIBC constateerde in 2007 al dat de schulden 200 % hoger zijn dan de spaartegoeden. De bubbel eet het vermogen van veel Nederlanders dus in snel tempo op….

Naast de huizenbubbel komt er weer een internetbubbel (2.0. ?) aan, die beleggers heel veel geld gaat kosten. In 2001 leden vele beleggers forse koersverliezen. Wat te denken namelijk van een waardering voor Facebook van $ 76 miljard ? Wat te denken van het astronomische bedrag van $ 8,5 miljard dat Microsoft voor Skype wil betalen? Beide bedrijven doen het erg goed op het Web, maar springen er niet uit voor de winsten die ze maken. Microsoft betaalt voor Skype 400 maal de winst, een volstrekt belachelijke verhouding. Facebook is meer waard dan vliegtuigfabrikant Boeing. Twitter wordt op $ 7,7 miljard geschat. LinkedIn dacht aanvankelijk $ 3,3 miljard te kunnen ophalen, maar heeft dit bijgesteld naar $ 4,3 miljard.

1 + 1 = 3, zeggen sociale media.

Er zijn wel wat belangrijke verschillen tussen 2001 en 2011: het gaat momenteel vooral om bedrijven die hun bestaansrecht ‘bewezen hebben’. Daarnaast is de internetmarkt veel en veel omvangrijker dan destijds. Warren Buffet, de Amerikaanse beleggingsgoeroe, waarschuwde al voor investeringen in bedrijven als Facebook. Als belegger van de ‘oude stempel’ steekt hij zijn geld bij voorkeur in bedrijven met een helder product- of dienstenaanbod en met een duidelijke verdienstructuur. De grote gebruikersaantallen van internetbedrijven staan niet garant voor veel winst. Veelal wordt eerst geïnvesteerd in de hoop dat een later te ontwikkelen verdienmodel ook de gehoopte winst gaat opleveren. Dit maakt het extreem lastig om een realistische schatting te maken van de waarde van een internetbedrijf. Linkedin maakt dit duidelijk. Binnen één dag werd de onderneming vier keer zoveel waard als een eerdere schatting in de week voor de beursgang. Aan deze waardering kan nauwelijks een doordachte overweging ten grondslag liggen. Een internetbedrijf als Google heeft bewezen dat het mogelijk is om rendement te maken op het internet. Bedrijven als Twitter, Facebook en LinkedIn hebben echter nog niet bewezen dat hun miljardenstatus terecht is.

Lucht creëert lucht...

Het gevaar is levensgroot dat verdienmodellen niet het gewenste resultaat opleveren. Beleggers nemen het risico dat de realiteitszin terugkeert en de koers in elkaar ploft. Nieuwe media hebben op zichzelf namelijk een korte levensduur. Daarnaast worden de investeringen veelal niet gedaan door de doelgroep, maar door degenen die erachteraan lopen, geen verstand hebben van de bedrijven waarin ze beleggen, maar ondertussen wel Russisch Roulette spelen met belegde vermogens en opgebouwde pensioenen. Een recept voor ellende. Maar ja, hebzucht is lelijk, zeker als het kan met geld dat aan anderen toebehoort….

En dan tenslotte: de cultuurbubbel. Die is nog niet echt erkend, maar is er wel. De consequenties ervan zijn ook minder catastrofaal, althans voor degenen die niet in de cultuursector werkzaam zijn. De cultuurbubbel is het werk van de cultuursector zelf en van de belangenbehartigers die onder het mom van onafhankelijkheid onder andere de Raad voor Cultuur bevolken. De cultuurbubbel vormen al die miljoenen die jaar in, jaar uit in instanties gepompt worden, die er vervolgens niet in slagen duidelijk te maken wat hun belang is aan het grote publiek. Dat ‘grote publiek’ is dan vervolgens ook niet te vinden voor vele culturele ‘festiviteiten’, die door de gesubsidieerde cultuursector worden georganiseerd. Dat publiek zit vervolgens wel bij allerlei commerciële evenementen, die we volgens de cultuursector geen cultuur mogen noemen, maar die als entertainment door het leven moeten gaan.

Hoe herinner ik mij nog het gejubel toen die Raad er in 2008 in slaagde tien miljoen extra subsidie los te weken voor de culturele basisinfrastructuur ! En hoe herinner ik mij ook het tandengeknars toen de Raad vorig jaar werd gevraagd te adviseren over bezuinigingen op de cultuuruitgaven voor de eerstvolgende subsidieperiode. Vervolgens werd (zoals altijd) een kaasschaafmethode gebruikt, een uiting van volstrekt visieloos denken en een onafhankelijk adviesorgaan volstrekt onwaardig. Zijlstra’s bezuinigingsplannen (die ook geen blijk geven van visie op de toekomst) wijken flink af van het advies van de Raad. De productiehuizen in de theatersector worden opgeheven. De sectorinstituten raken taken kwijt. Het Theater Instituut Nederland dreigt te verdwijnen. Het Mondriaan Fonds voor beeldende kunst levert meer dan eenderde in. Het Fonds voor Cultuurparticipatie fuseert met het Fonds Podiumkunsten. In drie of vier steden verdwijnen orkesten. Er wordt niet in fases bezuinigd, zoals de Raad had geëist. En zo kan ik nog even doorgaan.

Een 'schreeuw'zonder effect...

De bezuinigingen op cultuur zijn exorbitant, zijn een gevolg van toegeven aan populistisch denken en staan percentueel niet in verhouding tot het jaarlijkse beschikbare budget. Het volstrekt visieloos bezuinigen zal veel schade gaan betekenen voor het culturele klimaat. Maar het laat ook veel lucht (zeg: miljoenen) lopen uit een sector die zelfgenoegzaam is geworden door de zekerheid van subsidies, volstrekt risicoloos opereren en – veel erger – geen echte creativiteit nodig heeft om te kunnen bestaan. Ik heb geen medelijden met instellingen die al jaren uit elitair of regionaal parochialisme subsidies opslorpen, veel te weinig publiek trekken, slechte accreditaties hebben, weigeren structureel samen te werken en daarnaast een ‘air van gelijk’ om zich heen projecteren (zoals bijvoorbeeld het Limburgs Symfonie Orkest). Ik heb wel medelijden met culturele basisinstellingen als archieven en (vooral) bibliotheken, waarvoor het bijna onmogelijk wordt om te kunnen blijven bestaan. Vooral de afbraak daarvan zal ons de komende jaren nog achtervolgen. Het verdwijnen van een aantal orkesten of toneelgezelschappen (hoe pijnlijk ook) zullen we wel overleven. Al moeten we wat verder reizen, want de tijd van muziek- en theatervoorstellingen in ieders achtertuin is wel voorbij, denk ik zo.

Het waren enerverende maanden, februari en maart. Een revolutie in de Arabische wereld, waar het ongenoegen om corrupte, al jarenlang regerende ‘democratische’ dictators tot uitbarsting kwam in breed volksverzet, gestimuleerd door social media, internet en mobiele telefonie. Waartoe het leidt weet niemand, wel dat enkele burgeroorlogen op het punt van uitbarsten staan (Jemen, Syrië) of reeds uitgebarsten zijn (Lybië). Interveniërende westelijke mogendheden, in het enige land dat met zijn olie een belangrijke asset vormt van (vooral) West-Europa (Lybië). Een interven­tie, die wel een no fly-zone afdwingt, maar die door gebrek aan visie, doorzettingsvermogen en po­litieke wil geen doorslaggevende factor van betekenis is. Naast deze revolutionaire uitbarstingen een enorme uitbarsting van natuurgeweld in Japan, waar een aardbeving en een tsunami een groot deel van noordoost Japan heeft getroffen en talloze slachtoffers heeft gevergd. Gevolgd door een vulkaanuitbarsting in het zuidwesten van Japan en talloze naschokken, vaak net zo hevig als een ‘gewone’ aardbeving, wordt aangetoond dat aardkrachten sterker zijn dan alles wat de mens ma­ken kan.

De kerncentrale van Fukushima

En juist dit schept ernstige problemen. Want Japan is een van de weinige landen die voor haar energievoorziening bijna volledig afhankelijk is van kernenergie. Toen ik enkele jaren geleden het grote herdenkingspark in Hiroshima bezocht en daar geconfronteerd werd met de gevolgen van nucleaire ontploffingen, verbaasde mij vooral dat feit. Maar de Japanners verzekerden me dat de kerncentrales veilig waren en bestand tegen elke vorm van natuurgeweld, net zoals heel veel van hun gebouwen bestand waren tegen aardbevingen. Naar nu blijkt, was dat een, op dat moment, begrijpelijke misvatting. Want al hadden de ontwerpers van de (wat verouderde) kerncentrales van Fukushima rekening gehouden met een tsunami van vijf meter hoogte, tegen een gelijktijdige ‘aanval’ van een aardbeving en een tsunami van vijftien meter hoogte was niets be­stand. Nu is dat niet helemaal juist: de reactoren waren er wel tegen bestand, maar de koelsyste­men en de elektriciteitsvoorzieningen niet. En dat bleek een receptuur voor een ramp: een meltdown met alle gevolgen van dien. Tot nu toe is die door de technici van de centrales met gevaar voor eigen leven voorkomen, maar de reactoren ‘lekken’ wel. Radioactief jodium in het zeewater, hoge radioactieve straling in de directe omgeving, radioactieve deeltjes in de lucht op 300 km afstand in Tokyo. Een ‘wake-up call’ wereldwijd en een klap in het gezicht van de kernenergie- lobby. De gevolgen van de ramp maken duidelijk dat ‘veilige’ kernenergie niet bestaat.

Het wereldwijde energieverbruik groeit echter in een enorm hoog tempo, zeker nu ook ‘emerging markets’ een steeds groter deel van de jaarlijks geproduceerde energie opslurpen. De natuurlijke energiebronnen raken in een steeds sneller tempo uitgeput. De toenemende digitalisering van onze maatschappij draagt daar een belangrijk steentje aan bij, want juist het energieverbruik voor IT draagt substantieel bij aan de groei van het energieverbruik. Eerder al verwees ik naar een rapport van Jonathan Koomey, een wetenschapper van de Lawrence Berkeley National Laboratories en hoogleraar aan de Stanford University. Daarin bracht Koomey het totale elek­triciteitsverbruik van servers wereldwijd voor de jaren tussen 2000 en 2005 in kaart. Koo­mey beschrijft dat als volgt: ‘Total direct power consumption for all servers in the U.S. in 2005 is about 2.6 million kW. Including cooling and auxiliary equipment increases that total to about five million kW, which is equivalent (in capacity terms) to five 1000 MW power plants. Total server electricity consumption in the U.S. is 23 billion kWh in 2005. When electricity use for cooling and auxiliary equipment is included, that total rises to 45 billion kWh, …, resulting in a total utility bill of $2.7 billion (2006 dollars) when valued at U.S. industrial electricity prices. Total ser­ver power and electricity consumption for the world as a whole is about two and a half ti­mes bigger than for the U.S’. En Koomey sluit af met de mededeling dat sinds 2000 ‘server energy use has doubled’! IDC stelde eerder dat het energieverbruik per server vertienvoudigd is. En het tempo van de groei gaat door.

Die explosieve groep in elektriciteitsverbruik laat eigenlijk geen andere mogelijkheid tot energieproductie toe als kernenergie. Veertien procent van de energieproductie vandaag de dag komt van kernenergie en dat percentage stijgt exponentieel. Zonne-, water- en windenergie zijn niet in staat meer dan slechts een klein gedeelte van de wereldwijde vraag naar energie af te dekken. Kernfusie is een optie, maar realisatie daarvan in de praktijk is nog erg ver. Kernenergie blijft over. Maar kan dat gerealiseerd worden, zonder alle risico’s en de erfenis voor de toekomst die we via het radioactieve afval achterlaten ?

Thorium

Vlak voor de tsunami Japan trof, maakte China bekend dat het een concurrerende kernenergietechniek ontwikkelde, ‘to build a safer, cleaner, and ultimately cheaper network of reactors’, gebaseerd op Thorium. Dit is een redelijk veel voorkomend metaal, dat veelal als afval gezien wordt in de zoektocht naar duurdere en zeldzamere metalen. Al aan het eind van de jaren ’40 hadden Amerikaanse fysici door wat thorium kon betekenen. Ze waren toen al geneigd om het metaal in kernreactoren te gebruiken. Het kwam er niet van, omdat de VS op dat moment behoefte hadden aan plutonium, een afvalproduct van met uranium gevulde kernreactoren. Dat was nodig om kernwapens te ontwikkelen. Dat is met thorium niet mogelijk, een voordeel van het gebruik van het metaal. In 1999-2000 vroegen onderzoekers de Europese Commissie om subsidies voor de ontwikkeling van thoriumreactoren. De Europese Commissie ging te rade bij Franse experts, die geen enkele behoefte hadden om nieuwe technologie te ontwikkelen. De Fransen immers baseerden hun energievoorziening op uranium en ze hebben miljarden geïnvesteerd in kernreactoren.

Thorium is een zilverwit metaal, dat aan de lucht oxideert en bruin tot zwart verkleurt. Het is radioactief, maar onschadelijk, zolang je het niet inademt. Thoriummetaal en/of –oxide worden de dag van vandaag gebruikt voor allerlei speciale toepassingen op het gebied van kathodebuizen, legeringen, keramische materialen, glas voor hoogkwalitatieve fotografische lenzen, e.d. Maar het bezit dus tevens de mogelijkheid om als kernbrandstog te dienen. Het oxide van Thorium is een zwaar (een volume van 1 liter weegt bijna 10 kilo) wit kristallijn poeder met een zeer hoog smeltpunt van 3.390°C, het hoogste van alle oxides. Het wordt gewonnen uit monaziet, een erts dat 7 tot 12% thorium bevat. De voornaamste vindplaatsen hiervan zijn in de VS, Australië en India.

Thoriumreactor

Thorium is een heel bijzondere splijtstof. Het heeft een aantal erg belangrijke voordelen:

  • al het thorium in de reactor kan worden gebruikt als splijtstof. Bij uranium is dat maar 0,7%. Juist het isoleren van die luttele 0,7% is een moeizaam en duur proces.
  • de levensduur van het thorium in een reactor is ongeveer 9 jaar, terwijl uranium slechts 3 à 4 jaar te gebruiken is. Het radioactieve materiaal wordt ook grotendeels opgebrand, waardoor er veel minder afval is. Het afval dat er is, is veel minder lang gevaarlijk en kan eenvoudiger worden bewaard.
  • in een ‘thoriumreactor’ wordt geen plutonium gevormd dat voor kernwapens kan worden gebruikt. Plutonium kan wel als initiator van het splijtproces worden gebruikt.
  • Een thoriumreactor is veilig door zijn ontwerp, waardoor een meltdown onmogelijk is. In geval van nood kan de reactor zonder risico’s worden uitgeschakeld.
  • de kostprijs van thoriumoxide is 82,50 of 107,25 $ per kg (99,9 of 99,99% zuiver), terwijl die van uraniumoxide 264,55 $ per kg is. De prijs weerspiegelt het feit dat thorium veel minder zeldzaam is dan uranium.

Het lijkt te mooi om waar te zijn. Voor een deel is het dat ook, omdat niet alle praktische implicaties zijn onderzocht. Thorium blijft een gevaarlijke stof voor mensen, die bij directe inademing grote gezondheidsrisico’s heeft. Maar het is ook minder duur, minder vervuilend, minder zeldzaam en een veel veiliger kernbrandstof. Het lijkt mij in dit geval, zeker ook gezien de opnieuw bewezen risico’s van uraniumgebaseerde kernenergie, de moeite waard om de bakens te verzetten. Zeker in ons land liggen er perspectieven. Herbouw Borssele als een Thoriumreactor. Die reactor loopt toch op het eind van zijn levenscyclus, dus kapitaalvernietiging is niet of nauwelijks aan de orde. Daarbij: het levert ook erg veel op…. We weten maar al te goed dat er voor minder ook veel geld over de balk gesmeten wordt. Laten wij de Chinezen maar achterna gaan….

Wat ik de afgelopen maanden (eigenlijk al jaren) met verbazing aanschouw, is het ‘over en weer’ verketteren van ‘links’ en ‘rechts’, zonder enige nuance en met het volstrekt negeren van de subjectiviteit en contextualiteit van die begrippen. Alles wat als genuanceerd of intellectueel tegen de grootste schreeuwer ingaat, is ‘links’. Argumenteren hoeft dan niet meer. Anderzijds: ideeën die afwijken van de politieke conformiteit worden al snel als ‘rechts’ weggezet. Dat gebrek aan nuance, aan discussie, aan belangstelling voor andere visies en ideeën, mis ik. Het sluit aan bij tendensen in onze samenleving die ik al in eerdere posts hier heb beschreven. Het is wel begrijpelijk, want een politieke transformatie, zoals die zich nu aan het voordoen is, leidt altijd tot grote, onoverkomelijk lijkende tegenstellingen. Of die tegenstellingen op dezelfde wijze maatschappelijk kunnen worden ingekaderd als de ‘fluwelen revolutie’ van de jaren ’60, moet worden afgewacht.

De schijn-elite van de valse munters

Mijn denken over ‘links’ en ‘rechts’ werd (nu) vooral gestimuleerd door het lezen van Martin Bosma’s De schijn –élite van de valse munters. Drees, extreem rechts, de sixties, nuttige idioten. Groep Wilders en ik (Bert Bakker/Prometheus 2010). Bosma heeft een fascinerende, maar ook zeer eendimensionale, niet altijd degelijk onderbouwde en bijna steeds provocerende en polemische analyse gegeven van de politieke ideeën en ontwikkelingen vanaf de jaren ’60. Een belangrijk politiek boek, dat de contextualiteit en subjectiviteit van ‘links’ en ‘rechts’ benadrukt.

Zo ontleent Bosma de titel van zijn boek aan een publicatie van de socialistische ideoloog (en SDAP- en PvdA-lid) Jacques de Kadt. De Kadt pleitte voor een maatschappij die vrij en welvarend moest zijn en die op alle punten onder leiding diende te staan van een elite van de ‘bekwaamsten’ (élite-mensen, zo stelt De Kadt). Waar Bosma op doelt is Het fascisme en de nieuwe vrijheid, waarin De Kadt op blz. 234 stelt dat men in de topleiding van wetenschap, kunst, politiek, economie, moraal, hier en daar een enkele van deze ‘élite-mensen’ aantreft, omringt door een aantal ‘valse munters’. Ook in de lagere regionen zijn ‘élite-mensen’ te vinden, die in een staat van dienstbaarheid belangrijk werk doen. Ze komen echter niet tot hun recht, omdat ze moeten gehoorzamen aan de ‘schijn élite’ van de ‘valse munters’. Met ‘valse munters’ bedoelt De Kadt ‘begaafde’ charlatans, ‘knappe’ zwendelaars, handige, maar ook brutale lieden die wel wat kunnen, maar die toch op hun gebied niet het beste kunnen, en die daarom hun tekort aanvullen met connecties en relaties, met demagogie of saloncharme. Deze schets komt, al wordt de ideologie van De Kadt volledig uit verband getrokken, vrij nauwkeurig overeen met het beeld dat Bosma in zijn boek schetst, en dat, terzijde, ook goed het denken van Wilders karakteriseert. De Kadt had met deze visie tot de jaren ’60 een grote aantrekkingskracht op jonge socialisten; de ‘fluwelen revolutie’ van de jaren ’60 en de opkomst van ‘Nieuw Links’, een (wellicht revolutionaire) stroming van fanatieke jonge socialisten, zoals onder anderen Han Lammers, André van der Louw en Marcel van Dam, maakte aan die aantrekkingskracht een einde. De Kadt werd als socialistische ideoloog een probleem voor Nieuw Links, want hij was (nu) ‘rechts’. Dat probleem werd des te groter toen het denken van Nieuw Links gemeengoed werd binnen de PvdA.

Martin Bosma

Bosma komt van oorsprong uit een ‘links nest’. Zijn vader en grootvader waren overtuigde SDAP- en PvdA-stemmers, althans zo lang de PvdA de partij van Willem Drees sr. was. Daar ligt ook een parallel (als we die zouden willen maken) met Frits Bolkestein, die in zijn jonge jaren ook een aanhanger van Drees was. Drees sr. was bijvoorbeeld zeer voor emigratie, vanwege (zoals de Troonrede van 1950 benadrukt) ‘de sterke bevolkingsgroei en de beperktheid van de beschikbare grond …’ Dat lijkt op: ‘Nederland is vol’. Op 13 augustus 1974 schreef Drees sr. in NRC een artikel tegen de toelating van gastarbeiders: ‘Men gaat mensenmassa’s concentreren waar de moeilijkheden het grootst zijn. Wat gaat gebeuren, is met alle thans zo vurig bepleite gedachten van milieuhygiëne in strijd. Weinigen zullen er werkelijk gelukkiger door worden. Voor de nieuwkomers is er eenvoudig niet genoeg huisvesting, maar ze maken de moeilijkheden voor wie hier reeds woonden groter’. Op 98-jarige leeftijd (in 1984) stelde Drees in een interview: ‘Door te veel buitenlanders toe te laten, is een aantal problemen geschapen op het gebied van werkloosheid, woningnood en onderwijs. (…) Men heeft gezegd: Blijft maar hier en laat uw gezinnen overkomen. Die gezinnen zijn talrijker dan Nederlanders, waardoor de moeilijkheden groot zijn geworden’. Zijn zoon Willem jr., die de partij DS’70 oprichtte, had dezelfde ideeën. Door de huidige socialistische elite zouden zowel Drees sr. als jr. als rechts (misschien wel extreem rechts) worden beschouwd en wellicht zelfs als racist worden weggezet. Ter illustratie nog, eveneens uit het artikel van 13 augustus 1974: ‘Ons volk wordt voortdurend voorgehouden dat geboortebeperking noodzakelijk is, wil ons land, het dichtstbevolkte ter wereld, nog enigszins een redelijk leefklimaat behouden. Intussen bevordert men een snelle toeneming van de bevolking door buitenlandse gezinnen, juist in de grote steden waar de moeilijkheden het grootst zijn’.

Het fascisme en de nieuwe vrijheid

Volgens Bosma is het in Nederland misgegaan toen de generatie van de ‘fluwelen revolutie’ begon aan haar ‘lange mars door de instituties’, waardoor bij de overheid en tal van maatschappelijke organisaties mensen met (in zijn term) ‘extreem linkse meningen’ de macht kregen. Bosma verwijst naar de Nieuw Linkse coup die Martin van Amerongen beschrijft in Persmuskieten (1981) en die exemplarisch was voor de manier waarop Nieuw Links de macht op tal van plaatsen overnam. Het gevolg was (onder andere) een politiek van immigratie, die nooit democratisch is gelegitimeerd, maar wel voortdurend in stand is gehouden. Het gevolg was de ‘arrogantie van het morele gelijk’, die, beginnend in de jaren ’60, op agressieve wijze over de politieke elite is gaan hangen, tot vandaag de dag aan toe. Het boek is een mentaliteitsgeschiedenis, bomvol voorbeelden, citaten en bronverwijzingen, die bedoeld zijn om Bosma’s ‘gelijk’ bewijzen, maar vaak volledig uit hun context zijn getrokken. Bosma’s centrale these is dat de ‘linkse’ elite in media en politiek geen flauw idee heeft van wat er op straat speelt en hoe ‘het multiculturele drama’ zich ontvouwt. Hij weet de misvattingen, soms zelfs de leugens die hieruit voortkomen, bloot te leggen. De voorbeelden van hoe de media vanuit hun politiek correcte mal trachten Wilders in het nauw te drijven, en hun neerbuigendheid daarbij, zijn veelzeggend. Meindert Fennema schrijft in zijn beschouwing over het boek van Bosma terecht: ‘Bosma’s boek laat zien waar de PVV de komende vier jaar haar aandacht op zal richten: het aantonen dat Nieuw Links de oude idealen van de PvdA onder Drees, die teruggaan op de geschriften van Jacques de Kadt, verkwanseld heeft. Het lijkt me dat de huidige intellectuelen van de PvdA daarover niet te licht moeten denken’. Natuurlijk is er een mentaliteitsomslag gaande ook bij andere partijen, zoals de VVD, het CDA en zelfs de PvdA. Dat kan ook niet anders onder de druk van de PVV en het electorale succes van die partij. Maar dat past uiteraard niet in Bosma’s straatje als PVV-partijpoliticus. Illustratie daarvan is dat Bosma er in slaagt om Paul Scheffer niet een keer te noemen. En Scheffer heeft in Het Land van Aankomst toch de fraaie Dreesiaanse uitspraak gedaan dat ‘Als een enigszins beheerste opvang van vluchtelingen, gezinsherenigers en arbeidsmigranten onmogelijk blijkt en gelijktijdig een goede inburgering in de samenleving niet echt lukt, dan zal vroeg of laat de kritische grens worden bereikt van wat sociaal en cultureel aanvaardbaar is’.

Willem Drees sr.

Bosma plaatst de ‘ongrijpbare’ PVV in het ideologische kader van Drees (sr. en jr.) en De Kadt en plaatst dat (mijns inziens onnodig, onterecht en niet onderbouwd) in de ideeënstrijd tussen en tegen het nazisme en het communisme, die volgens Bosma vervolgens wordt voortgezet in een strijd tegen de islam. Het leidt tot een uitspraak als ‘Hitler was een socialist’, die aantoonbaar onjuist is. Lees de biografie over Hitler van Ian Kershaw maar (Hitler 1889-1936: Hubris en Hitler 1936-1945: Nemesis) om voorgoed van deze idee genezen te raken. Wat aardig is (maar het boek ook wat moeilijker te begrijpen maakt) is dat Bosma als ideoloog zich niet kan losmaken van de ‘linkse’ politicologie, waarin hij is opgegroeid, maar die wel in tegengestelde betekenis gebruikt.

Bosma schrijft in een vlotte, onderhoudende stijl, tenderend naar snijdend sarcasme en zonder veel zelfreflectie, maar is ook grof qua taalgebruik. Wat ik verwonderlijk vind, is dat in Bosma’s hele boek geen enkele verwijzing te vinden is naar het veel te weinig serieus genomen De verweesde samenleving van Pim Fortuyn. Terwijl in dat boek toch de grondslag wordt gelegd voor veel van wat Bosma wil overbrengen, met veel meer nuance en veel beter onderbouwd. ‘Wij leven in een tijd zonder richting, zonder ideologieën, zonder aansprekende ideeën, zonder vaders en moeders, kortom in een samenleving van wezen. Wij zijn echter de erfgenamen van veel: alles wat een rol van betekenis speelt of heeft gespeeld in de moderne wereld is begonnen op ons continent, Europa. En die veelheid van ideeën, systemen, opvattingen en handelingen heeft geresulteerd in een groot gevoel van onbehagen, van ‘verweesd’ zijn’. Of dit wel helemaal waar is, is de vraag, maar het is de centrale stelling van Fortuyn. Op grond daarvan stelt hij onomwonden dat de fundamentalistische variant van de islam levensbedreigend is voor onze eigen cultuur, die ‘gevaarlijke relativistische trekken’ vertoont. Dat ligt toch dichtbij datgene wat Bosma beweert, dunkt mij. Het ligt ook erg dicht bij gevoelens van ongenoegen, die in de PVV een uitlaatklep hebben gevonden.

Wat het boek niet doet, is een visie ontwikkelen hoe om te gaan met de ideologie van de islam en zijn gelovigen. Wilders’ uitspraken op de Deense TV van 14 juni 2009 zijn nergens in het boek te vinden. Dat die miljoenen moslims, die zich niet willen aanpassen, Europa moeten verlaten. Hitler had het in vergelijkbare termen over het oplossen van het joodse vraagstuk in zijn rede van 30 januari 1939. Bosma citeert deze rede wél (op blz. 256]: ‘Die Welt hat Siedlungsraum genügend‘. Wil de PVV dit voorbeeld volgen ? Wat zijn de consequenties daar dan van ? Ik weet zeker dat Drees en De Kadt met al hun mogelijke problemen met immigratie, een dergelijke ontwikkeling met afschuw zouden beschouwen.

Electorale uiting van ongenoegen

Bosma vindt ideologische wortels voor de PVV. Dat maakt de partij niet minder populistisch, maar het verduidelijkt de partij wel. Er zijn overeenkomsten met eerdere sociaal-democratische (‘linkse’) stromingen, al was er toen wel sprake van een andere tijd en is het lang niet zeker of de ‘oude’ sociaal-democraten zoals Drees of De Kadt zich bij de PVV zouden hebben thuisgevoeld. Wat toen ‘links’ was is nu ‘rechts’. Kan de PVV als ‘rechts’ gezien worden wanneer zij zich op sociaal-economisch gebied verzet tegen ‘rechtse’ standpunten als het verhogen van de AOW-leeftijd, het versoepelen van het ontslagrecht en het verlagen van de uitkeringen? En in hoeverre is er überhaupt sprake van een links-rechts verdeling als er een grote groep kiezers zweeft en switcht tussen SP en PVV, traditioneel de beide uitersten op het links-rechts-spectrum ? En is GroenLinks dan het nieuwe ‘rechts’, met haar pogingen de welvaartsstaat aan te passen naar minder zekerheden voor de burger ? ‘Links’ en ‘rechts’ zijn schuivende panelen geworden, nietszeggende aanduidingen die contextueel en situationeel bepaald zijn. Vandaar ook dat het roepen van ‘links’ en ‘rechts’ zo weinig zin heeft….

Er is in ieder geval één geval geweest dit jaar, waarbij de uitspraak ‘met de kennis van nu’ terecht gebruikt is: in het geval namelijk van Ina Post, de bejaardenverzorgster die in 1987 wegens het doden van een bejaarde vrouw veroordeeld werd tot zes jaar cel en een deel van die straf ook heeft uitgezeten. In oktober van dit jaar werd ze voor datzelfde feit vrijgesproken door het gerechtshof in Den Bosch. Het bewijs ontbrak, haar bekentenissen waren ‘vals’, ze was in de war vanwege een posttraumatisch stresssyndroom. Excuses werden niet gemaakt. Het OM stelde dat ‘de zaak-Post geen gerechtelijke dwaling [is]‘ en ‘Dit is een zaak van 23 jaar geleden waar met de kennis van nu naar is gekeken. We wisten destijds niet dat zij last had van een posttraumatisch stresssyndroom. Wat er verder fout is gegaan tijdens het politieonderzoek, was in die tijd volstrekt normaal’. Of dat zo is, weet ik niet. Ik weet in ieder geval wel dat ook toen grote twijfels bestonden over de veroordeling. Het posttraumatisch stresssyndroom was toentertijd echter niet bekend, nu wel. In die zin is ‘de kennis van nu’ dan ook terecht gebruikt.

Jan Peter Balkenende

Dat kan voor de rest van de dit jaar tot een hype verworden uitspraak niet worden gezegd. Er ging dit jaar geen week voorbij of ergens in bestuurlijk Nederland, zowel in publieke als in particuliere kringen, klonk die uitspraak om ook maar enige verantwoordelijkheid voor een bestuurlijke tegenslag naar het rijk der vergetelheid af te schuiven. Jan Peter Balkenende zette de trend in januari, toen hij toegaf dat Nederland de inval in Irak in 2003 niet had moeten steunen, aangezien er geen juridische grond was die die inval rechtvaardigde. Het rapport van de Commissie-Davids had de politieke steun van die inval onderzocht en was tot die conclusie gekomen. Maar, zo stelde Balkenende, ‘in het licht van deze ontwikkelingen en met de kennis van nu aanvaardt het kabinet dat voor een dergelijk optreden een adequater volkenrechtelijk mandaat nodig zou zijn geweest’. Inhoudelijk was dat gewoonweg niet waar. De ‘kennis van nu’ was niet wezenlijk anders dan de ‘kennis van toen’, toen de toenmalige regering besloot de inval te steunen. Balkenende had eigenlijk moeten toegeven dat het besluit niet juist was (of gebaseerd op niet te onderbouwen andere overwegingen, die toentertijd in het kabinet gespeeld hebben, maar nooit zijn geopenbaard). Met de uitspraak ‘met de kennis van nu’ was het mogelijk bestuurlijke verantwoording een ander karakter te geven en minder ernstig te doen zijn.

Het woord ‘sorry’, het modewoord van 2008 en 2009, betekende toen vaak niet meer dan ‘oeps’, maar er zat in ieder geval nog iets in van (een heel erg klein beetje) spijt. Maar ‘met de kennis van nu’ is neutraler, meer een constatering. Of: ‘Ok, ik heb wellicht fouten gemaakt, maar dat heb ik gedaan met de kennis van toen. Als ik toen de kennis van nu had gehad, dan had ik uiteraard de juiste beslissing genomen. Mij valt dus niets te verwijten’. Het is natuurlijk altijd makkelijker oordelen over iets dat in het verleden is gebeurd. Er is altijd wel een stok om een hond te slaan. En in heel veel gevallen is dat ook waar. Maar die woorden te horen uit de mond van door de wol geverfde bestuurders ? Ze worden immers ingehuurd om moeilijke beslissingen te nemen. Dat gebeurt altijd op basis van argumenten en informatie die op dat moment beschikbaar is. Van de bestuurder wordt op dat moment ‘daadkracht’ en ‘visie’ verwacht, waarbij de bestaande kennis kan worden aangewend voor de toekomst.

Nu kan daartegen so wie so worden ingebracht, dat ‘daadkracht’ en ‘visie’ niet direct kenmerken zijn waarvan Nederlandse bestuurders het afgelopen decennium blijk gegeven hebben. Ik heb daar op deze blog al eerder op gewezen. Ook kan worden opgemerkt dat al vanaf het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw bekend is dat er bij het nemen van beslissingen een enorme hoeveelheid informatie wordt verzameld, die vervolgens bij het nemen van de beslissing niet wordt gebruikt. Rapporten worden opgevraagd, maar niet gelezen. Feldman en March schreven daarover in 1981 een zeer te harte nemend artikel. In 1976 stelden March en Olsen al dat beleid hevig bediscussieerd wordt (blijkbaar dus zonder de beschikbare informatie gelezen te hebben !), maar met onverschilligheid wordt uitgevoerd. Maar hoezeer dat ook waar is (en het kenschetst, denk ik, de huidige situatie nog steeds treffend, gezien alle spaaklopende en mislukkende IT-projecten !), dat is geen excuus om de voor iedere bestuurder nodige zelfreflectie uit te schakelen. Hadden bestuurders dan niet beter hun best moeten doen om te zien of de ‘kennis van nu’ toen niet beschikbaar was ? En trouwens: bestuurlijke verantwoordelijkheid betekent dat een bestuurder verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden, ook als de ‘schuld’ niet direct bij hem ligt. Daarvoor is hij bestuurder geworden: om deel te nemen aan het vormgeven van het land, de provincie, de gemeente, het bedrijf of welke organisatie dan ook en daarvoor ook de verantwoordelijkheid te dragen. Dat eerste wordt met enthousiasme (zij het vaak ondoordacht) aangepakt, het laatste veelal vergeten of onder het vloerkleed gemoffeld. In 2010 het liefst met de uitspraak ‘met de kennis van nu’ ! Een groter brevet van bestuurlijk onvermogen bestaat niet ! Overigens: het gebruik van ‘hij’ bij bestuurder is bewust, want ik ken geen vrouwelijke bestuurders die met een kennislacune te maken hebben gehad dit jaar.

Job Cohen

Is het nou echt zo erg met die ‘kennis van nu’ ? Een kleine greep uit belangrijk en onbelangrijk spelen met de ‘waarheid’. De Amsterdamse wethouder Hans Gerson zei na een vernietigend rapport over de Noord-Zuidlijn dat het besluit tot de aanleg van de metrolijn ‘met de kennis van nu’ nooit aan de gemeenteraad voorgelegd had mogen worden. Die kennis was er echter toen ook al; het is echter makkelijker, zoals Remine Alberts van de SP zei, zich te verstoppen ‘achter de zinsnede dat je terugkijkt met de kennis van nu en dat je daardoor niet echt kunt zeggen of het een juist besluit is geweest of niet’. Gerson moest later alsnog door het stof, maar de poging zijn verantwoordelijkheid te ontlopen met de beroemde frase lag er duimendik bovenop. Overigens: de wijze waarop Job Cohen trachtte de verantwoordelijkheid van zich af te schuiven van dit debacle met op te merken dat hij op grote afstand stond, was wel erg doorzichtig. De opmerking dat hij er zich inhoudelijk niet mee bemoeide, bevestigt het beeld dat bij slagen een bestuurder graag vooraan staat, maar bij falen de verantwoordelijkheid graag elders wordt neergelegd. En wat helemaal de deur dicht doet als het over bestuurlijke integriteit gaat, is de uitspraak van diezelfde Cohen, dat ‘We uiteindelijk allemaal amateurs [zijn]. Bestuurders moeten varen op de adviezen van deskundigen en vragen zo nodig een second opinion’. Dat die ‘second opinion’, zeker in financieel opzicht, niet gevraagd is (hoewel daarvoor voldoende redenen en argumenten waren), kon hij vervolgens niet verklaren. Dit echter terzijde, hoewel het de algehele stelling van het graag willen ontlopen van de verantwoordingsvraag door bestuurders bevestigt.

Tekening van een mogelijk nieuw Stadskantoor in Delft

‘Met de kennis van nu’, daar gaat het hier om. Wat te denken van Noud Wellink, de directeur van de Nederlandsche Bank, die die frase erbij haalt om het oordeel van de commissie Scheltema over de vergunningverlening aan de DSB-Bank te relativeren: ‘het handelen in het verleden [is] te veel met de kennis van nu beoordeeld’. Om daar – weinig standvastig – na de storm van kritiek toch nog op terug te komen. En ook met de Commissie-De Wit was Wellink het niet eens: door de Commissie is de verkeerde norm aangelegd’ en ‘Met de kennis van heden wordt beoordeeld wat wij destijds hebben gedaan’. Of dat het concept achter het nieuwe stadskantoor van Delft ‘met de kennis van heden …. achterhaald is’. Of: ‘Terugkijkend en met de kennis van nu hebben wij ons te weinig gerealiseerd welke gevolgen deze publicatie zou hebben voor de politici en met name hun gezinnen’, uit een brief van de directie van de uitgeverij Audax aan de landsadvocaat over het tijdschrift Binnenhof en het doorpluizen van vuilniszakken van politici. Of bij de aankoop van ‘foute’ CO2-rechten: ‘Die projecten waren in principe heel honorabel, maar met de kennis van nu zouden we ervan zijn weggebleven’, volgens Daan Dijk, directeur Sustainable Development van de Rabobank. Of: ‘Iedereen was toen van mening dat het nog kon. En ja, met de kennis van nu – u kent die opmerking, veel gebruikt – ja, dan was het misschien beter geweest’, het antwoord van Karel Fowles van Stichting Support Anne Frank Tree, in antwoord op de vraag of het niet beter was geweest de kastanjeboom bij het Anne Frank Huis eerder te kappen. Of: ‘Met de kennis van nu had de gemeente andere terminologie moeten gebruiken’, uitgesproken door wethouder De Boer van Harlingen bij het onder grote druk intrekken van een bouwvergunning, die door de gemeente aan afvalverwerker Omrin was verstrekt. En zo zijn er nog tientallen gevallen te benoemen !

Zullen we stoppen met dat ‘met de kennis van nu’ ? Met de kennis van nu hadden we ook geen eurocrisis gehad, hadden we bij verkiezingen nooit gestemd zoals we gestemd hebben, hadden we het onderwijssysteem niet keer op keer veranderd, hadden we de zorg nooit geprivatiseerd, hadden we de Betuwelijn nooit aangelegd, hadden we geen spitsstroken aangelegd, hadden we meer strooizout aangeschaft, hadden we geen stemmachines gebruikt, hadden we niet voortdurend de privacyregels ter sprake gebracht, enzovoorts.

Het is een dooddoener. In de mond van bestuurders dient het alleen maar om verantwoording te relativeren. Ze bedoelen er namelijk niet mee de kennis van nu, maar de gevolgen van nu ! ‘Als ik geweten had dat dit de gevolgen waren, dan had ik een andere beslissing genomen !’ Tja. Het toont dus alleen maar het onvermogen van de bestuurlijke elite om verantwoordelijkheid te nemen voor eigen beslissingen. Een brevet van onvermogen, dat alleen maar het gevoel versterkt dat bestuurders onbetrouwbaar zijn en het populistische denken de schijn van ‘het gelijk’ geeft….

De bezuinigingen op kunst en cultuur gaan heel diep, zijn (wellicht) onevenredig hoog, zullen het einde betekenen van gezelschappen en worden uitgevoerd zonder een greintje visie op de toekomst. Vooral dat laatste raakt me, zoals dat me raakt bij alle bezuinigingsvoorstellen die het kabinet Rutte wil doorvoeren. Het is visieloos ‘schaven’, zonder een zinnig idee over hoe dit kabinet maatschappij en overheid over pakweg tien jaar ziet. Dat was overigens niet anders geweest met een anders samengesteld kabinet. Politici en politieke partijen hebben geen praktisch geformuleerde lange termijn visies, die als leidraad dienen voor ingrepen in de maatschappelijke (financiële) huishouding. Dat soort visies kan leiden tot fundamentele keuzes, waarover te discussiëren valt. ‘Schaven’ levert alleen geld op, maar schuift fundamentele keuzes door naar een later moment. Iets waar de Nederlandse bestuurders heel goed in zijn.

Cultuur moet...

Zeker is dat de ‘way of life’, de gangbare wijze waarop van dag tot dag in de gesubsidieerde (en misschien ook wel, zij het in mindere mate, in de private) cultuursector wordt gewerkt en wordt omgegaan met geld, ten einde loopt. Tot 2015 wordt op cultuursubsidies 200 miljoen euro bezuinigd. Daar komt nog een aantal maatregelen bovenop, zoals een verplaatsing van de podiumkunsten en de kunstaankopen naar het hoge BTW-tarief van 19 %, het afschaffen van het CJP, het afschaffen van het belastingvoordeel op cultureel beleggen en het afschaffen van de kunstenaarsbijstand WWIK. Dat tikt aan.

Dat heeft voor een deel te maken met de economische crisis. Geld kan immers maar één keer worden uitgegeven. Schulden leggen een zware last op onze en de na ons komende generatie(s). Die schulden moeten worden teruggebracht en daarvoor is snoeien in de uitgaven noodzakelijk om de overblijvende, resterende inkomsten te kunnen besteden aan aflossing van de staatsschuld. Maar de crisis alleen is niet de enige oorzaak van de grote ingreep in de kosten van kunst en cultuur.

Sinds iets langer dan een decennium heeft het populisme stevige grond onder de voeten gekregen in de Nederlandse samenleving. Paul Taggart noemt drie kenmerken van het populisme. Het populisme zet zich af tegen de representatieve politiek; het heeft een afkeer van gevestigde partijen en gevestigde politieke agenda’s en gebruiken. Ten tweede maakt populisme gebruik van wat Taggart de heartland noemt: een fictief gebied, bewoond door ‘het volk’, een homogene groep mensen die hard werken, oprecht en moralistisch zijn, en die lijden onder het leiderschap van de ‘elite’. Tot slot is populisme een ideologie zonder kernwaarden, die qua stijl en retoriek overal binnen het politieke landschap kan worden ingezet, van links tot rechts. Dit is een redelijk adequate beschrijving van het Nederlandse politieke speelveld van de afgelopen jaren.

Het populisme zet zich altijd af tegen werkelijke of fictieve ‘elites’, die in het populistische beeld altijd specifieke kenmerken hebben, namelijk: een hoge mate van politieke invloed, lid van machtige klieken, een hoge mate van academische kwalificatie, een hoge mate van intelligentie, een hoge mate van beroepsmatige ervaring en het houden van bepaalde esthetische waarde-oordelen, die niet overeenkomen met die van ‘het volk’. In de Nederlandse situatie worden die kenmerken met name toegekend aan de ‘grachtengordel’-partijen, zoals de PvdA, Groen Links en (in mindere mate) D’66. In de populistische termen van nu: ‘links’. En in het populistische denken is kunst en cultuur een elitaire icoon, in dit geval dus een ‘linkse hobby’. Het opmerkelijke daarvan is dat een deel van degenen die zich tot het populisme (zoals van SP en PVV) aangetrokken voelen uit groepen komen die vanouds een nauwe band hadden met de PvdA.

Stop de culturele kaalslag !

Vele (vooral gesubsidieerde) kunst en cultuuruitingen worden door het ‘grote publiek’ geassocieerd met iets dat elites interesseert. Dat dat in werkelijkheid in veel gevallen (denk aan bibliotheken, muziekscholen, etc.) niet zo is (of hoeft te zijn) doet aan die associatie niets af. Kunst en cultuur moeten het al jaren doen met een ‘elitair’ imago. Vertegenwoordigers uit die wereld hebben met hun vaak denigrerende en arrogante meningen over het opkomende populisme en hun nauwe band met de bestaande elites olie op het vuur gegooid. De onbegrijpelijke experimenten die vanaf het midden van de jaren ’80 in de kunstensector plaatsvonden (overigens een periode waarin Nederland kabinetten kende onder leiding van Van Agt en Lubbers en ‘links’ er niet aan te pas kwam !) versterkten het elitaire imago van vele kunst- en cultuuruitingen. Het beruchte toneelstuk ‘Going to the dogs’ van Wim T. Schippers is een sprekend voorbeeld van die experimentele benadering: een toneelstuk dat werd gespeeld door herdershonden, die na een paar minuten uit hun rol vielen. Onbegrijpelijk voor het ‘grote publiek’, maar (blijkbaar ? schijnbaar ?) aantrekkelijk genoeg voor een kleine culturele elite om een subsidie van (toen) 65.000 gulden te rechtvaardigen. De kunst- en cultuursector zwolg in de aandacht van die ‘elite’ en wantrouwde het ‘grote publiek’, dat echter via subsidies wel mocht meebetalen.

Kunstenaars, culturele organisaties en andere culturele actievelingen zijn subsidies als een recht gaan beschouwen, waarbij de overheid gezien werd als een vanzelfsprekende financier van de meest individuele expressie. Het Internationale Danstheater bijvoorbeeld heeft jarenlang op te grote voet geleefd in de misplaatste veronderstelling dat de overheid het tekort wel zou ophoesten. Nu dat niet gebeurt, is er verontwaardiging over het feit dat het ‘grote belang’ van het theater niet wordt erkend. De vanzelfsprekendheid van die subsidieverwachting bij een groot deel van de kunst- en cultuursector heeft mede de kloof doen ontstaan tussen geavanceerde kunstuitingen en brede delen van de samenleving. De kunst- en cultuursector is de band met het ‘grote publiek’ kwijtgeraakt. De sector is veel te veel in zichzelf gekeerd. Het succes van het populistische denken steunt hier sterk op.

De discussies in adviesorganen (met name in de Raad voor Cultuur) gaan steeds vaker over ondernemerschap, waarbij vooral publieksbereik een rol speelt. Artistieke kwaliteit is nog het belangrijkste criterium in de beoordeling, maar ondernemerschap telt steeds meer mee. Sinds de periode Van der Ploeg maakt ondernemerschap deel uit van het cultuurbeleid. Tot nu wordt er bij de subsidietoewijzingen niet op beoordeeld, maar culturele instellingen en kunstenaars worden er bij de huidige bezuinigingen wel op afgerekend. De sector moet het zichzelf verwijten dat ze het zakelijk en artistiek ondernemerschap veel te weinig heeft ontwikkeld. Waarbij ik wel onmiddellijk de opmerking maak, dat het niet zo simpel is als het lijkt en niet voor iedere kunstenaar of culturele instelling is weggelegd. Zo krijgt een kunstenaar als ondernemer bijvoorbeeld geen zakelijke lening bij de bank. Subsidies zouden als vervanger kunnen dienst doen.

Het is vreemd dat uitgerekend de culturele sector, met een erg ingewikkelde economische werking, de economische functie als argument gebruikt. Daar zit een groot gevaar in, omdat dat belang als een boemerang kan terugkaatsen. In dit geval gebeurt dat ook, omdat het economische belang te weerleggen valt. De economische eendimensionale benadering, alles herleiden tot geld, is niet echt toepasbaar op cultuur. Alle gebruikte argumenten zijn (hoe waar ook) eigenlijk gelegenheidsargumenten, omdat de sector blijkbaar nog steeds niet voldoende ‘taal’ heeft gevonden om haar belang maatschappelijk en politiek aan te tonen. De argumentatie achter de waarde van kunst en cultuur en het waarom van de subsidiëring is niet overtuigend. Het wollige taalgebruik – waarvan zowel instellingen als politieke partijen zich bedienen – is een slechte verdediging voor het bestaansrecht van kunst en cultuur. In het populistische denken is juist het ‘wollige taalgebruik’ een eigenschap die aan ‘elites’ is toe te schrijven.

Cultuurprotest op het Malieveld

De grote ophef over de bezuinigingen nu is vooral ‘mosterd na de maaltijd’. Let wel, het is belangrijk dat het gebeurt, maar het komt te laat en zal slechts marginaal effect hebben. Het ‘grote publiek’ komt niet in opstand, zelfs niet tegen de kortingen op bibliotheken, waar het ‘zoveel’ gebruik van maakt. Wethouders van Cultuur schreeuwen over de ‘kaalslag in de cultuur’, maar dat verhult slechts het afschuiven van eigen bezuinigingen op de culturele sector naar het rijk. En dat terwijl volgens de VNG de cultuurbezuinigingen van het rijk de gemeenten niet direct raken ! Uiteraard moeten kunstenaars en culturele instellingen protesteren, maar het dient ook te leiden tot meer bescheidenheid, tot meer reflectie en – vooral – tot betere communicatie naar het ‘grote publiek’.

Want als de sector zo belangrijk is als ze zegt te zijn, dan moet ze dat ook duidelijk kunnen maken. Daaraan heeft het tot nu toe ontbroken. Ze heeft daarmee de deur wagenwijd opengezet voor populistische (en minder populistische) kritiek. Het jammere nu is dat die instellingen die wel hun best hebben gedaan het ‘grote publiek’ te bereiken, die wel duidelijk kunnen maken wat het belang is van wat ze doen (denk: bibliotheken en archieven), nu het slachtoffer worden van een radicale, zonder visie uitgevoerde bezuinigingsoperatie van rijk en gemeenten, met dank aan al die gesubsidieerde instellingen, die dat allemaal niet (of te weinig) hebben gedaan. Wat vooral moet gebeuren is dat de culturele sector het populistische denken erkent als een factor van belang en daarop met alle kracht en macht inspeelt. Want als dat niet gebeurt, dan is dit slechts het begin van nog veel meer ‘niet veel goeds’…..